Column JM Eustatia | Foute rechter(s): Zambesi (6)

Column door dr. Joe M. Eustatia

Dr. Joe M. Eustatia

Dr. Joe M. Eustatia

Ik heb mij bij het schrijven van deze column afgevraagd of mr Veenhof, die in de zaak Zambesi een bedenkelijke rol heeft gespeeld (zie mijn voorgaande columns, waarin artikelen uit de NRC over de zaak Zambesi worden aangehaald), een doodgewone foute rechter is, die – wanneer hem dat convenieert – in de fout gaat, of dat mr Veenhof na zijn in 2010 in de Zambezi-zaak genomen, zeer betwistbare besluiten, onder druk stond om in deze arbitragezaak – waarvoor hij speciaal door mr RD werd “binnengehaald”- , te “leveren”?

Het is een vraag, die wellicht nooit beantwoord zal worden.

Ik begin deze column met statements ontleend aan het rapport, dat door de bekende register accountant drs W Curiel RA is opgesteld om als richtlijn te dienen bij het door de accountant-deskundige te verrichten accountants-onderzoek.

Mr Veenhof had drs E Vesseur van het Accountantskantoor de Paus en Vesseur tot accountant-deskundige benoemd.

Drs Curiel stelt in zijn rapport, dat van 11 november 2010 dateert, “dat op 1 juli 2004 een VOF overeenkomst is getekend, waarbij door alle vier vennoten een via hun bedrijven gelijk bedrag in de VOF (de door hen op te richten maatschap) zou worden ingebracht”.

Drs Curiel constateert evenwel, dat van de statutaire afspraak over inbreng kapitaal is afgeweken, doordat op basis van een fiscaal advies van fiscaal jurist mr DE en een door mr DE opgestelde fiscale ruling, alleen het aandeel van het bedrijf van Eustatia werd ingebracht in de VOF, terwijl de overige vennoten hun aandeel hadden ingebracht in hun respectieve naamloze vennootschappen. Dit wordt, aldus drs Curiel, geconstateerd door Deloitte & Touche (Saskia Lans RA) in een memo gedateerd 26 maart 2008, waarin tevens het gemis van een openingsbalans per 1 januari 2004 wordt vastgesteld.

Drs Curiel vervolgt met te stellen, dat Eustatia bevestigt, dat mr DE nimmer met hem afspraken heeft gemaakt met betrekking tot de met de Inspectie der Belastingen af te spreken ruling noch over het door de overige vennoten verrichten van de inbreng in hun NV in plaats van in de VOF.

Een zeer ervaren rechter, die tevens over een behoorlijke ervaring als accountant beschikt, zou er niet lang over hoeven na te denken om te beslissen, dat hij met een schoolvoorbeeld van bedrog en oplichting werd geconfronteerd.

Een integere rechter/arbiter zou na van de boven vermelde feiten kennis te hebben genomen, tevens beseffen dat hem een taak wachtte die veel weg had van het moeten graaien in een reusachtige beerput; hij zou zich ook met enige bezorgdheid afvragen hoe om te gaan met de overmaat aan ongerechtigheid, die hem zou komen aanwaaien bij het gedwongen in die kwalijk riekende put te moeten snuffelen.

Zijn zorgen zouden er niet minder op worden na kennis te hebben gemaakt met de personen, die voor deze beerput verantwoordelijk waren en de hen vertegenwoordigende deskundigen:

De betrokkenen werden vertegenwoordigd door hun advocaat mr RD, van wie bekend was dat hij in het bezit was van een strafblad wegens frauduleuze daden begaan in het kader van de toentertijd geruchtmakende affaire Suiker. Mr RD heeft de hem opgelegde gevangenisstraf, om mij niet bekende redenen, zelfs geen dag hoeven uit te zitten.

De constatering dat mr RD eerder is veroordeeld vanwege fraude, is van belang in verband met het in een later stadium behandelen van een door mr RD gemanipuleerd contract, waarvan zal worden aangetoond dat de arbiter het doelbewust als basis voor het arbitrageproces heeft gebruikt.

Als de tweede belangrijke adviseur van de wederpartij trad op drs TH, een accountant die enkele jaren geleden vanwege frauduleuze praktijken uit het register van accountants werd geschrapt.

Fiscalist mr DE, met een algemeen bekend dubieuze reputatie, was belast met het voorzien van de wederpartij van de broodnodige frauduleuze fiscale adviezen. Voorwaar een “adviescollege”, waar godfather Don Corleone zich niet voor had hoeven te schamen.

Een integere arbiter zou zich in dit gezelschap niet helemaal op zijn gemak hebben gevoeld. Maar dat gold niet voor mr Veenhof. Mr Veenhof bleek zich in dit dubieuze gezelschap net zo behaaglijk en op zijn gemak te voelen als een konijn in een knollentuin. De betrokkenen bleken voor mr Veenhof hét “adviescollege” te vertegenwoordigen, bij wie hij bij voorkeur zijn oor te luisteren legde.

Eigenlijk niet geheel verwonderlijk, want lezers van mijn column deel 5 en voorgaande columns hebben kunnen kennis nemen van het feit, dat de benoeming van mr Veenhof tot arbiter zeer tegen mijn zin door mr RD (de advocaat van de wederpartij) was doorgedrukt.

Terugkerend naar de in het begin van dit artikel vermelde ruling: Een ruling is in het fiscaal recht een afspraak tussen een belastingplichtige en de fiscus bijv. over de methode van winstberekening.

Mr DE, die eerder bij de Directie der Belastingen de scepter had gezwaaid, behield ook na zijn overhaast vertrek aldaar, gemakkelijk toegang tot de burelen van deze machtige organisatie. Het was voor hem dan ook een fluitje van een cent gedaan te krijgen om buiten mij om, een voor mij zeer nadelige ruling te laten accorderen. Daarbij deed hij het valselijk voorkomen, dat hij deze ruling op mijn verzoek had opgesteld.

Deze ruling, waarvan het bestaan niet in de statuten en in geen enkel ander officieel stuk wordt vermeld, werd door de ex-partners geheim gehouden om er pas tijdens het mediatie- en arbitrageproces mee aan te komen zetten, om er de nodige rechten aan te kunnen ontlenen.

Mr Veenhof was op de hoogte (gesteld)van de voorgeschiedenis van deze ruling, deed weliswaar voorkomen alsof hij de ruling als ondeugdelijk terzijde legde, maar verbond absoluut geen consequenties aan het niet te weerspreken feit, dat deze frauduleuze ruling op verzoek van de cliënten van mr RD was opgesteld.

De door mr DE opgestelde ruling was opgemaakt met de malicieuze bedoeling goederen-overdracht te realiseren, waarbij het aan de ex-partners werd overgelaten te besluiten wélke goederen van mijn bedrijf zij zich in het kader van de overdracht wensten toe te eigenen. In deze ruling werd dan ook verwezen naar later toe te voegen bijlagen. De wederpartij heeft van deze door mr DE voor hen geopende mogelijkheid gretig gebruik gemaakt om aan de ruling o.a. een valse inventarislijst te verbinden.

Het snaakse drietal meende door de valse inventarislijst aan de ruling te verbinden, deze lijst waarvan bewezen werd dat hij vals was, geloofwaardig zou worden. Dat lukte voor wat mr Veenhof betreft wonderwel.

Een en ander kwam er in het kort op neer, dat de wederpartij in de gelegenheid werd gesteld om zonder betaling zich valselijk naar eigen believen additionele, niet in de koop opgenomen, assets van het moederbedrijf toe te eigenen.
Een variant op het proletarisch winkelen.

Ik heb de medewerkster van de Directie der Belasting ervan kunnen overtuigen, dat de ruling geheel buiten mij om tot stand was gekomen. Zij was op grond daarvan bereid een verklaring af te geven, waarin werd aangegeven dat een ruling nimmer bedoeld kan zijn ter realisering van de goederen-overdracht, die fiscalist mr DE daarmee beoogde.

Maar dat was nog niet alles. De ruling van mr DE beoogde tevens het frauduleus naar beneden afbouwen van het aandeel van ondergetekende, de enige solvente partner in de VOF, terwijl het ( nog te realiseren !) aandeel van de drie partners ongemoeid werd gelaten. En dan te bedenken dat de drie leden van de wederpartij op het moment, dat de ruling tot stand kwam (december 2003) nog volop bij de bank aan het smeken waren voor de toekenning van een lening, die het hen mogelijk moest maken partner te worden in de nog op te richten maatschap.

Voor deze niet solvente leden van de maatschap stond al vóór de datum van de oprichting van de maatschap (1 juli 2004) vast, dat men slechts in de moeilijke beginperiode, waarin zij misschien nog aangewezen zouden kunnen zijn op de backing van de solvente partner, hem als partner zouden gedogen. Het plan was om zodra de financiële backing van de solvente partner niet meer nodig was, een voorwendsel te zoeken om hem te lozen.

En aldus geschiedde en belandden wij bij de op voorstel van mr RD tot voorzitter van de arbitrage-commissie benoemde mr Veenhof.

Ik ben gaandeweg gaan vermoeden (ik zeg nadrukkelijk vermoeden), dat mr RD, mr Veenhof doelbewust heeft aangetrokken om hem als zijn mol/infiltrant te laten fungeren. Het had er tenminste meer dan de schijn van, dat hij in staat was de nodige druk op mr Veenhof uit te oefenen.

Het kan niet ontkend worden: mr RD is in deze zaak als een uiterst behendige advocaat (weliswaar als een advocaat van kwade zaken ) te werk gegaan. Een advocaat voor wie mijn raadsman absoluut geen partij was, maar die hij veeleer op de een of andere manier als een bondgenoot aan zich wist te binden.

Ik leverde bij de start van de arbitrage arbiter mr Veenhof in tweevoud een twaalftal files van diverse te behandelen onderwerpen met de erbij behorende door mijn financiële adviseurs vastgestelde vergoedingen, zoals bijvoorbeeld de te betalen good will, vertrekpremie, betaling gestolen generator, een gestolen telefooncentrale en een gestolen dure rolluikmotor; ook vergoeding voor de uit mijn gebouw gesloopte onroerende goederen, vergoeding voor de aan mijn gebouw moedwillig toegebrachte schade; vergoeding voor niet verleende afgesproken diensten, vergoeding voor de te late oplevering van mijn gebouw etc. etc.

Met name de eerste file getiteld Hoofdstuk I Inleiding en voorgeschiedenis gewaagde van diverse voorbeelden van oplichting en Identity theft, waaraan de wederpartij zich had bezondigd en die van een ernst waren, dat de honden er geen brood van lustten.

Als reactie op de feiten, die ik in de opgemelde files te berde had gebracht, reageerde de wederpartij met een conclusie van antwoord, die met name opviel vanwege het grote aantal flagrante leugens, die er in werden gedebiteerd.

Daar ik niet in de gelegenheid was gesteld mij over de inhoud van deze data uit te laten, benaderde ik de arbiter met de vraag wanneer mij de gelegenheid zou worden geboden om die talrijke leugens te weerspreken. Ik heb de arbiter zélf moeten benaderen, omdat mijn raadsman daartoe niet bereid was.

Het antwoord van de arbiter liet niets aan duidelijkheid te wensen over :
Mr Veenhof stelde op 16 juni 2010 dat een reactie (door mij aangeduid met ‘dupliek’) niet mogelijk was, “omdat hij NU vonnis moest wijzen”. Verwezen zij naar bijlage I.

Omdat het vonnis, dat volgens mr Veenhof NU gewezen moest worden alsmaar uitbleef, schreef ik mr Veenhof op 20 juli 2010 opnieuw een brief, die begon met de zin “ ongebruikelijk ( toegegeven), maar tevens onvermijdelijk ( vanwege het belang en het ontbreken van de mogelijkheid van een dupliek ) en ik mij over bepaalde feiten steeds ongeruster maak………” Verwezen zij naar bijlage 2.

Op deze brief werd geen reactie ontvangen.

Het vonnis, dat volgens arbiter mr Veenhof in zijn brief van 16 juni nu gewezen moest worden, werd drie maanden later (op 13 september 2010) op schrift gesteld en naar de belanghebbenden verzonden.

Wie schetst mijn verbijstering met een tussenvonnis te worden geconfronteerd, dat welhaast een replica leek van de beweringen, die de wederpartij in hun conclusie van antwoord hadden vastgelegd. Leugenachtige beweringen die ik niet had mogen weerspreken!

Het principe van hoor en wederhoor is een grondrecht. De rechter ( arbiter) hoort partijen over en weer in de gelegenheid te stellen hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten en over alle bescheiden en andere gegevens, die in de procedure ter kennis van de rechter zijn gebracht.

Hoor en wederhoor is een fundamenteel beginsel van procesorde, die stelt dat de rechter zijn oordeel niet ten nadele van een der partijen mag baseren op grond van bescheiden of andere gegevens, waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten. We komen met het door mr Veenhof doelbewust schenden van het belangrijke recht van hoor en wederhoor dan ook aan voorbeeld nummer 9 9 van zijdens mr Veenhof partijdig handelen.

Als voorbeeld 10 van partijdige arbitrale besluiten vermeld ik de behandeling door mr Veenhof van het hoofdstuk rekeningen 2003.

De VOF ( vennootschap onder firma/ maatschap) werd opgericht op 1 juli 2004, waarbij alle activiteiten van mijn bedrijf met terugwerkende kracht tot 1 januari 2004 door de VOF werden overgenomen. Gezien de chronische betalingsachterstand van de overheid waren er dus op dat moment tot aan de laatste maanden van het jaar 2002 openstaande, door het BZV nog te betalen rekeningen.

Daar mijn bedrijf haar gehele administratie aan de VOF had overgedragen, werd met de leden van de VOF afgesproken, dat de te ontvangen betalingen van de rekeningen van 1 januari 2004 tot 30 juni 2004, die mijn bedrijf had uitgeschreven, aan de VOF zouden toevallen. De te ontvangen betaling van de rekeningen 2003 (die op identieke wijze waren opgemaakt als de rekeningen 2004) waren uiteraard voor mijn bedrijf bestemd.

De contractuele verplichting tot het zonder enige kosten tbv mijn bedrijf innen van deze rekeningen werd in de statuten onder Account receivable vastgelegd (vide bijlage 3), terwijl hiervoor ook separate schriftelijke afspraken met het bestuur van de stichting BZV werden gemaakt.

Het bleek, dat de rekeningen van 1 januari 2004 tot 30 juni 2004 met de door het BZV verzochte aanpassingen keurig waren ingediend en geïnd.
Op de vraag die aan de ex partners werd gesteld waarom de betaling van de rekeningen 2003 zo lang uitbleef, werden door de ex-partners de meest uiteenlopende verklaringen gegeven.

Bij informatie ten kantore BZV werd mij verteld, dat de door het BZV gevraagde aanpassingen, wel waren gerealiseerd voor de rekening januari – juni 2004. Deze rekeningen werden dan ook betaald.

Er waren echter geen aangepaste rekeningen ingediend van het jaar 2003, waarvoor precies de zelfde aanpassingen moesten worden gerealiseerd als voor de rekeningen januari – juni 2004.

Geconfronteerd met deze uitspraak deelde de inmiddels overleden ex-partner mevr CH mij mede, dat de aan het BZV verzonden CD Rom, waarop alle data naar de wensen van het BZV waren gecorrigeerd “wellicht verloren zou zijn geraakt, maar dat zij een nieuwe CD Rom zou inleveren”.

Tijdens de arbitrage-procedure verklaarde zij, dat er slechts sprake was geweest van een inspanningsverplichting (slechts een intentie hunnerzijds ) en dat men slechts bereid was de rekeningen voor betaalbaarstelling in orde te maken tegen betaling van Fl 20.000.00 – Fl 25000.00.

De betrokkenen werden door de partijdige arbiter zonder meer in het gelijk gesteld, waardoor mijn bedrijf de kans liep op een verlies van een bedrag van meer dan NAF 100.000.00.

Voor mij blijft de vraag wat een Nederlandse rechter zou kunnen bewegen zich te identificeren met deze door en door foute lieden ?

Is mr Veenhof, die in de zaak Zambesi een bedenkelijke rol heeft gespeeld ( zie onze voorgaande columns, waarin artikelen uit de NRC over de zaak Zambesi worden aangehaald) een foute rechter, die wanneer zulks hem convenieert, in de fout gaat? Of stond mr Veenhof na zijn in 2010 in de Zambezi zaak genomen, zeer betwistbare besluiten, onder druk om in deze arbitragezaak – waarvoor hij speciaal door mr RD werd “binnengehaald”, te “leveren”?

Het is een vraag, die wellicht nooit beantwoord zal worden.

Dr. Joe M. Eustatia

Dr. Joe M. Eustatia

Dr. J.M. Eustatia (1938) studeerde medicijnen aan de Universiteit van Nijmegen. Hij promoveerde in 1971 tot doctor in de geneeskunde op het proefschrift de vermenigvuldiging van virussen in lymphocytyen; een toentertijd zeer besproken onderwerp. In 1972 keerde hij als specialist in de laboratoriumgeneeskunde (hoofdvak Bacteriologie) naar Curacao alwaar hij tot 1998 als arts-bacterioloog en hoofd Landslaboratorium werkzaam is geweest. Eustatia heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de studie omtrent het voorkomen en de bestrijding van HIV-infecties (AIDS) op Curacao. Zijn werkzaamheden op dat gebied hadden als resultaat dat Curacao het eerste eiland in de Cariben was met een veilige bloeddonatie–organisatie. Curacao mocht tevens samen met Barbados als eerste landen in de Cariben de beschikking krijgen over het toentertijd enige en zeer beperkt beschikbare HIV bestrijdingsmiddel AZT. Lees meer…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *