AD | 65 Jaar Statuut: een kwetsbaar Koninkrijk! (1)

Door Thom de Graaf

Kingdom Council of State Vice-President Thom de Graaf (second from right), member Paul Comenencia (left) and Secretary Ron van der Veer (right) paid a visit to Curaçao Governor Lucille George-Wout early this week.

Onderstaande is een enigszins samengevatte tekst van het gastcollege van de vicepresident van de Raad van State van het Koninkrijk, mr. Thom de Graaf, op de Universiteit van Curaçao. De lezing heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden vanwege de stroomuitval op 4 november.

Het Antilliaans Dagblad besteedt op deze wijze alsnog aandacht aan het onderwerp.

Het is een eer om aan deze universiteit een gastcollege te geven. Rector De Lanoy en decaan prof. Goudappel zullen zich dit niet hebben gerealiseerd, maar het is een diep gekoesterde wens van mij gedurende een lange reeks van jaren.

Ik heb in verschillende functies op ‘Dushi Kòrsou’ toespraken en lezingen mogen geven, van de Kamer van Koophandel en Usona tot de Staten toen ik minister was, maar nooit voor de universiteit. Die eer verdien ik nu pas, nu ik een politiek leven achter mij heb gelaten en de nederige gedaan-te heb aangenomen van adviseur. Het wordt geen opsomming en bespreking van de artikelen uit het Statuut.

Het Statuut is meer een metafoor voor de wat vastgeroeste verhoudingen binnen het Koninkrijk. Het is goed om achterom te kijken, maar vooral om daarvan te leren voor de toekomst. Ik zeg dat in het besef dat de liefde voor het Koninkrijk als geheel, de som van de samenstellende vier landen, in het huidige tijdgewricht niet vanzelfsprekend is, niet hier, niet op Aruba en Sint Maarten, niet op Bonaire, Sint Eustatius en Saba en zeker ook niet in Europees Nederland.

Het Koninkrijk wordt, als men er al iets bij voelt, eerder als een last ervaren dan als een verworvenheid die onze gezamenlijke en gedeelde geschiedenis ons heeft geschonken. Ook daarin is het Koninkrijk kwetsbaar en ook daarmee zullen wij moeten leren omgaan. Het Koninkrijk is geen vanzelfsprekend en rustig bezit; al zal het in de toekomst niet zomaar uiteen vallen.

Maar er zal hard moeten worden gewerkt om het meer te laten zijn dan een formeel construct dat in de praktijk te vaak tot ongemak en onvrede leidt. Bij mijn aantreden als vicepresident zei ik tegen mijn nieuwe collega’s dat het feit dat de Raad van State een orgaan is ván en vóór het gehele Koninkrijk – en dus niet alleen het land Nederland – voor mijzelf een groot pluspunt van dit ambt is. Gedurende een groot deel van mijn loopbaan heb ik een band met Curaçao mogen hebben.

Als Tweede Kamerlid hield ik mij al in de jaren negentig bezig met Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken, ook als fractievoorzitter van mijn partij; ik was tussen 1998 en 2003 ondervoorzitter en voorzitter van de vaste Kamercommissie in de Tweede Kamer. In het kabinet Balkenende II kreeg ik als vicepremier onder meer de verantwoordelijkheid voor de portefeuille Koninkrijksrelaties. Een dankbare opdracht, want er viel genoeg te doen, ik mocht zo mede aan de basis staan van wat later kortheidshalve is aangeduid met ’10- 10-‘10’. Het is dus een voorrecht dat ik bij de Raad van State niet bij nul hoefde te beginnen om iets van koninkrijksgevoel te kweken: mijn beide voorgangers Herman Tjeenk Willink en Piet Hein Donner hebben veel gedaan om de raad daadwerkelijk tot onafhankelijk koninkrijksorgaan te maken en het gezag aan weerszijden van de oceaan te vestigen.

Ik sta aldus dankbaar op hun beider schouders. Ik zet ook hun traditie voort: de Raad van State als onafhankelijke Koninkrijksadviseur en de vicepresident als ‘honest broker’ als daartoe de noodzaak en behoefte bestaat. En ik sta er ook niet alleen voor: onder meer drie staatsraden van het Koninkrijk, waaronder Paul Comenencia, en natuurlijk staatsraad in buitengewone dienst en oud-gouverneur Frits Goedgedrag waken ervoor dat Caribische visies en belangen worden meegewogen bij ons werk als adviseur van koninkrijksregering en parlement.

Dat doen ook deskundige en ervaren medewerkers bij de Raad van State, zoals Ron van der Veer. ,,Volgens mij is Curaçao sinds 1634, toen Johan van Walbeeck met merkbare tegenzin aan wal stapte, onafgebroken bezig ten onder te gaan. In vergeelde historische documenten kun je dezelfde jammerklachten terugvinden. De West-Indische Compagnie zag het niet zitten, de Heren Negentien waren permanent bezorgd en de Minister van Koloniën verklaarde ieder jaar opnieuw dat de financiële toestand (…) een voorwerp van aanhoudende zorg is.”

Deze woorden zijn niet de mijne. Het was Boeli van Leeuwen die ze meer dan dertig jaar geleden opschreef in zijn column ‘Permanent naar de bliksem!’, die verscheen in de Curaçaose Courant en die u kunt teruglezen in de fraaie bundel ‘Geniale anarchie’. Gaat het eiland onafgebroken ten onder? Dat zou op zichzelf al een wereldwonder zijn, want het is er nog steeds. Er wordt gewoond en geleefd, gewerkt, gelachen, gehuild, politiek bedreven en gehandeld, legaal en illegaal, kortom, het lijkt net een gewoon land.

Gaat Curaçao niettemin in een neerwaartse spiraal ten onder?  Er zijn altijd wel Nederlandse volksvertegenwoordigers die dit beeld oproepen en die worden regelmatig in de media hier geciteerd.

Zo zou de suggestie kunnen opkomen dat iedereen er in Den Haag hetzelfde over denkt. Dat zou een misverstand zijn. Niet dat we die kritiek niet serieus moeten nemen, integendeel: alle kritiek is een gratis advies! Maar een woord van relativering kan nooit kwaad.

De hardste Haagse stemmen vormen niet een heersend gevoel, laat staan een evidente Kamermeerderheid. Maar er zijn natuurlijk wel zorgen, zeker tegen de achtergrond van de Venezuela- crisis, over financiën en hervormingen, over stabiliteit en toekomstperspectief. Curaçao gaat gelukkig niet ten onder, en het Koninkrijk ook niet. Maar het land is kwetsbaar, net als Aruba en meer nog Sint Maarten, en het Koninkrijk evenzeer.

Over zes weken organiseert de Raad van State een feestelijke bijeenkomst om stil te staan bij het feit dat de banden tussen onze landen inmiddels 65 jaar op voet van vrijwilligheid en gelijkwaardigheid worden ingevuld. Op 15 december 1954 bekrachtigde koningin Juliana met haar handtekening het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden en daarmee kwam de koloniale staatkundige verhouding – die juist uitging van ongelijkwaardigheid – tot een eind.

Dat Statuut is sindsdien niet wezenlijk gewijzigd, hoewel Suriname in 1975 het Koninkrijk heeft verlaten, Aruba in 1986 een status aparte verkreeg en Curaçao en Sint Maarten in 2010 net als Aruba elk een autonoom land binnen het Koninkrijk werden.

Terugkijkend op 65 jaar koninkrijksverhoudingen binnen het Statuut doet de vraag rijzen of we tevreden mogen zijn over de ontwikkeling daarvan en op de werking van dat Statuut. Is het glas nu halfvol of halfleeg? Moet het huidige Statuut wellicht met pensioen nu de 65 jaar wordt bereikt of is dat helemaal niet nodig omdat de regeling rijk aan mogelijkheden is, maar er gewoon te weinig mee wordt gedaan?

Jarenlang is gestreefd naar onafhankelijkheid van de Caribische gebiedsdelen. Pas begin jaren negentig verandert het beeld van toewerken naar onafhankelijkheid. Aruba koos aanvankelijk nog wel voor onafhankelijkheid, al was losmaking van het Antilliaanse staatsverband eigenlijk de belangrijkste drijfveer. Het werd echter al snel duidelijk dat Aruba het perspectief op onafhankelijkheid zelf wilde loslaten zolang de status aparte maar behouden bleef. De koninkrijksbanden waren in de beleving van velen vanaf dát moment – 1992 – pas echt voor onbepaalde tijd. Het onafhankelijkheidsperspectief verdween immers op het eiland dat daarin het verst was gegaan, Aruba, achter de horizon.

Ook in Den Haag realiseerde men zich dat de banden met de eilanden niet zouden worden doorbroken, nooit zouden worden doorbroken. Juist het besef van de onverbrekelijkheid van de banden bracht een nieuwe verantwoordelijkheidsrelatie tot ontwikkeling. Den Haag ging zich meer dan voorheen buigen over de deugdelijkheid van bestuur, rechtshandhaving en overheidsfinanciën. Een relatie die niet altijd makkelijk is, vaak tot spanningen en onvruchtbare verwijten over en weer leidt, maar tegelijkertijd naar het mij voorkomt onvermijdelijk is en dus onontkoombaar.

Het jaar 1954 was voor Curaçao en voor het Koninkrijk van grote betekenis als geboortejaar van de nieuwe statutaire verhoudingen. Maar er zijn natuurlijk meer jaartallen te noemen die de ontwikkeling van het Koninkrijk en van dit eiland markeren. De laatste stap hierin s 10-10- ‘10. Hoe succesvol is dat proces geweest als we kijken naar deze laatste stap? Kunnen wij eind 2019 op dit alles terugzien als een succes?

Ik denk zelf dat er overwegend positieve gevolgen zijn geweest; zowel op Curaçao als op de andere eilanden van de voormalige Nederlandse Antillen. De situatie blijft op de meeste eilanden van tijd tot tijd zorgelijk, maar de leemlaag van het land Nederlandse Antillen zou dat niet anders hebben gemaakt, integendeel vermoed ik.

Ik wil graag nog eens benadrukken dat de ontmanteling van het land Nederlandse Antillen, de vestiging van de autonome landen binnen het Koninkrijk, Curaçao en Sint Maarten, en de bijzondere positie van de drie kleinere eilanden binnen het Nederlandse verband geen Haagse uitvinding is geweest, maar het resultaat van een gedeeld, gezamenlijk proces dat werd ingezet met het rapport van de gemengde werkgroep onder voorzitterschap van Edsel ‘Papy’ Jesserun, die ik in 2003 samen met de Antilliaanse regering mocht instellen.

Dat rapport van 15 jaar geleden legde de basis voor 10-10-‘10, maar gaf het Koninkrijk overigens een veel zwaardere rol dan uiteindelijk werd overeengekomen. Behalve buitenlandse betrekkingen, defensie en de waarborgfunctie zouden ook financiën, zorg en justitie een zaak voor het Koninkrijk vormen.

Zou het verstandig zijn geweest om die verantwoordelijkheden daar te beleggen in plaats van bij de landsregeringen? Feitelijk zouden dan kerntaken van autonoom bestuur in Den Haag zijn uitgevoerd, ver weg van de bevolkingen en ver weg van de eiland-democratie. Het zou niet hebben gewerkt, denk ik, en Nederland zou de eilanden nog steeds hebben gedomineerd met als gevolg dat het verwijt van neokoloniale verhoudingen alleen maar luider zou klinken.

De nieuwe staatsstructuur van 2010 is niet perfect, onvolkomen zelfs, en er liggen zware bestuursverantwoordelijkheden op de schouders van de eilandbesturen. Die leiden niet in alle gevallen tot daverende successen. Het is en blijft een kwetsbaar geheel. Maar Curaçao en Sint Maarten zijn in 2010 wel bevrijd van de dubbele en ingewikkelde bureaucratie van de Antillen, een staatsverband dat min of meer van bovenaf was bedacht en voor de bevolking nooit echt is gaan leven. Het blijft de vraag of in de politieke cultuur en structuur van de landen voldoende rechtsstatelijke ‘checks and balances’ zijn ingebouwd.

Met de kwetsbaarheden van kleinschalige gemeenschappen zal het Koninkrijk moeten leren om te gaan. Onvoldoende is onderkend dat wanneer men een bestuurslaag wegneemt, de resterende bestuurslagen directer op elkaar komen te zitten en intensiever bij elkaars doen en laten betrokken worden.

Nu er geen centrale Antilliaanse landsregering meer bij wijze van ‘kraakbeen’ tussen Den Haag en de eilanden zit, zijn er sneller en meer rechtstreekse contacten tussen de eilanden en het Koninkrijk. En dus ook sneller potentiële conflicten.

Het is voor velen nog steeds wennen, denk ik. Mogelijk speelt in de appreciatie ook mee dat velen de wat naïeve verwachting hadden dat 10- 10-‘10 als vanzelf alle problemen zou oplossen. Alsof alle politiekbestuurlijke problemen van welk eiland dan ook geheel en al zouden zijn veroorzaakt door de Antillen van Vijf.

Bron: Antilliaans Dagblad van 9 november 2019

 

‘Bijpraten met minpres Eugene Rhuggenaath’ | Antilliaans Dagblad

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *