AD | ‘Alle stranden moeten vrij toegankelijk’

Dingo beach bij Porto Marie

In verband met de promotie van Jeffrey Sybesma op 21 oktober tot doctor aan de University of Curaçao (UoC), voerde prof. Jan de Boer wat heet ‘oppositie’ bij deze promotie (verdediging van het proefschrift). Het Antilliaans Dagblad verzocht Sybesma hierop te reageren, omdat de oppositie gaat over een onderwerp waar overheid en burgers op een eiland als Curaçao vrijwel elke dag mee te maken hebben, namelijk de stelling van Sybesma: ‘Alle stranden moeten vrij toegankelijk’.

Oppositie van De Boer

Geachte promovendus, dit is wederom een belangrijke dag voor de UoC. In 1980 vond de eerste promotie plaats aan deze universiteit, toen nog geheten ‘Hogeschool’. Dat was de promotie van W.R. ‘Ru’ Boom, voormalig procureur-generaal bij het Hof van Justitie. Het onderwerp was: ‘Drugs in de Nederlandse Antillen’ en Boom bepleitte het legaliseren van marihuana. Daarna was het 30 jaar stil – ik zie af van erepromoties – en in 2010 promoveerde alhier het lid van het Hof Gerard Lewin op het civiel procesrecht in hoger beroep en cassatie.

En vandaag u als derde. Het is te hopen dat in de naaste toekomst meer promoties volgen en er niet weer een gat valt van 30 jaar. Graag wil ik opponeren naar aanleiding van Opstel 4 van uw proefschrift getiteld: ‘Alle stranden moeten vrij toegankelijk’. De stranden der zee worden in het Burgerlijk Wetboek (BW) geregeld in artikel 26 van Boek 5. Het eerste lid betreft het vermoeden van eigendom van de overheid en dit lid wordt door u uitgebreid behandeld. Omdat het slechts om een vermoeden gaat, kan ook een particulier eigenaar zijn van een strand, maar deze particulier zal de eigendom dienen te bewijzen in het bijzonder door een inschrijving in de openbare registers. Het gaat mij echter om het tweede lid. Dit luidt: ,,Beperking van de openbaarheid van aan het Land, of ‘een Eilandgebied’ van vóór 10-10-‘10, toebehorende stranden door vervreemding, bezwaring, ingebruikgeving of anderszins, behoeft een bij landsverordening (of eilandsverordening) te verlenen bijzondere toestemming.”

Dit lid, dat specifiek strekt tot de door u bepleite openbaarheid der stranden, wordt door u in het geheel niet genoemd. Maar vandaag kunt u dit goedmaken. Ik herinner me de totstandkoming van dit lid 2 nog wel. De openbaarheid der stranden werd tijdens de behandeling van het ontwerp-Boek 5 door een Statenfractie aan de orde gesteld. In de Toelichting bij de desbetreffende Nota van Wijziging wordt opgemerkt dat indien de wet zou bepalen dat álle stranden openbaar zijn, dus ook stranden die op dat moment in particuliere handen zijn, zulks een aantasting van de eigendom zou zijn. En zoals we weten, wordt de eigendom beschermd via het Europees Verdrag tot bescherming van de mens.

Dit tweede lid trad in werking in 2001. Sindsdien heb ik nimmer iets erover vernomen. Zelfs u noemt het niet. Zou iedereen – dus de overheid, projectontwikkelaars, notarissen – de bepaling zijn vergeten? De vraag komt vervolgens op: zijn er de laatste tien jaar door de overheid kuststroken die als ‘strand’ moeten worden aangemerkt in erfpacht aan particulieren uitgegeven, bijvoorbeeld aan een hotel, zónder toestemming bij landsverordening (of eilandsverordening)?

Hierop doordenkend rijst de vraag: wat zijn stranden? Sommige dichters gebruiken het begrip als synoniem voor kustlijn, maar wat betreft het prozaïsche artikel 26 van Boek 5 van het BW moet eerder gelet worden op het gewone spraakgebruik. Dit blijkt uit de parlementaire geschiedenis. Een klif die oprijst uit de zee levert geen strand op.

In uw proefschrift geeft u interessante beschouwingen over het begrip strand. Dit moet hier te lande anders worden uitgelegd dan in Nederland. U onderscheidt stranden van koraalzand (natuurlijk of kunstmatig), van koraalstenen (‘rubble beaches’) of ‘playa di krakustentjie’ en van donkere kiezelstenen of vulkaanachtig zand (‘santu pretu’). U citeert ook uit een vonnis van het Hof van Justitie van 35 jaar geleden in de zaak Sint Maarten versus Peterson, waarin een omschrijving van strand wordt gegeven. Mijn vraag aan u is of een kuststrook die uit lage rotsen bestaat, zoals bij de voormalige parkeerplaats Marichi in Punda als ‘strand’ in de zin van artikel 26 van Boek 5 van het BW moet worden gerekend. En: is in het algemeen de hele strook tussen Punda en Seaquarium en tussen Otrobanda en Piscadera, ‘strand’?

En: hoe staat het met het schiereiland Caracasbaai? De volgende vraag is: stel dat de overheid in de laatste tien jaar zonder toestemming bij verordening een kuststrook die als ‘strand’ geldt, in erfpacht heeft uitgegeven, bijvoorbeeld aan een hotel dat een hek heeft geplaatst. Wat is dan daarvan de consequentie? Artikel 57 van Boek 3 van het BW biedt de mogelijkheid dat een ‘onmiddellijk belanghebbende’ aan de erfpachter een termijn stelt om de wettelijk vereiste toestemming alsnog te verkrijgen, waarbij geldt dat als de eerdere toestemming vervolgens niet binnen die termijn wordt verkregen de verleende erfpacht als ‘zonder gevolg’ moet worden beschouwd.

Maar wie geldt als ‘onmiddellijk belanghebbende’? Is dat elke burger die de hekken verwijderd wil zien? En kan door bijvoorbeeld ‘Amigu di Tera’ een collectieve actie worden ingesteld?”

Verweer van Sybesma

,,Artikel 26 van Boek 5 van het BW van Curaçao (voorheen van de Nederlandse Antillen) bestaat uit 2 leden en stelt dat de stranden der zee, de grond onder de binnenwateren, alsmede de grote en kleine eilanden en platen die in die wateren voorkomen, worden vermoed eigendom te zijn van het Land. Daarnaast behoeft de beperking van de openbaarheid van aan het Land of een eilandgebied toebehorende stranden door vervreemding, bezwaring, ingebruikgeving of anderszins, een bij landsverordening of eilandsverordening te verlenen bijzondere toestemming.

Antwoord op de eerste vraag – of de kuststrook die uit lage rotsen bestaat, zoals bij de voormalige parkeerplaats Marichi in Punda als ‘strand’ moet worden gerekend – is te vinden in het vonnis van het Hof van Justitie in de zaak SintMaarten versus Peterson. Daarin geeft de rechter een definitie van wat onder een strand moet worden verstaan. Een strand is ‘de onbebouwde en (grotendeels) onbegroeide strook grond, gelegen tussen de normaal- laagwaterlijn enerzijds en het begin van de min of meer ononderbroken natuurlijke begroeiing, dan wel anderzijds de voet van de aanwezige zeewering, schoeiing of wallen, dan wel het begin van de van oudsher aanwezige bebouwing’.

Uitgaande van deze definitie is het ‘strand’ van Marichi heel smal omdat de ‘aanwezige zeewering, schoeiing of wallen, dan wel het begin van de van oudsher aanwezige bebouwing’ al snel vanaf zee aanwezig is. Wat betreft de strook tussen Punda en het Seaquarium geldt voor de kuststrook vanaf Pietermaai tot aan Marie Pompoen ongeveer hetzelfde als bij Marichi.

Voor de kuststrook vanaf Marie Pompoen tot aan Breezes is de kuststrook veel breder omdat daar de ‘min of meer ononderbroken natuurlijke begroeiing, dan wel de voet van de aanwezige zeewering, schoeiing of wallen, dan wel het begin van de van oudsher aanwezige bebouwing anderzijds’ veel meer landinwaarts is gelegen. Ik wijs hierbij op de gepresenteerde plannen ter waarde van 1,3 miljard die een ontwikkelaar wil investeren in een strandboulevard en tientallen eilandjes voor de kust van Pietermaai (Antilliaans Dagblad van zaterdag 29 oktober 2011). Het lijkt me in dit geval evident dat deze ontwikkelaar niet alleen de medewerking nodig heeft van de regering, maar dat daartoe tevens de expliciete toestemming voor moet worden gegeven bij landsverordening door de Staten (ingevolge het tweede lid van artikel 26 Boek 5 BW Curaçao).

De strook vanaf Breezes tot en met het Seaquarium, wat vooral een kunstmatig aangelegd strand betreft (denk aan Mambo Beach), kan ook onder de werking van het tweede lid vallen, indien deze stranden tot stand zijn gebracht na 1 januari 2001 omdat op dat moment het tweede lid van artikel 26 in werking is getreden. Daarvoor bestond deze bepaling niet. Bekend is dat in dit gebied continu ontwikkelingen plaatsvinden op een kuststrook die naar alle waarschijnlijkheid aan de criteria voldoen van openbaar strand. Als dat zo is dan moeten deze ontwikkelingen allemaal gedekt zijn door of eilandsverordening( en) (voor 10-10-‘10) dan wel landsverordening(en).

Tussen Otrobanda en Piscadera kan volgens de definitie van stranden der zee ook een kuststrook als zodanig worden aangewezen. Controversieel zie ik op dit moment mogelijk de kuststrook waar het Marriott en Hilton gebouwd zijn, maar dan alleen indien zij na 2001 zeggenschap hierover hebben gekregen.

En Caracasbaai? Op weg naar het Schiereiland Caracasbaai kennen we het openbare strand waar alleen het kleine restaurantje aan het begin van het schiereiland misschien niet conform de wet een vergunning heeft gekregen. De grote vraag blijft wel het Palapa Curaçao Beach Resort. De kuststrook waar deze ontwikkeling plaatsvond en nog steeds vindt, voldoet volledig aan de criteria voor een openbaar strand. Heeft dit resort toestemming verkregen door middel van een eilandsverordening dan wel na 10- 10-‘10 door middel van een landsverordening om de openbaarheid af te schermen?

Voor wat betreft het antwoord op de tweede vraag van prof. De Boer, met betrekking tot de consequenties als blijkt dat de regering in de laatste tien jaar zonder toestemming door middel van verordening, een stuk kuststrook dat als ‘strand’ kan worden aangemerkt bijvoorbeeld in erfpacht heeft uitgegeven, geeft prof. De Boer zelf het antwoord. Artikel 40 tweede lid van Boek 3 BW Curaçao stelt namelijk dat een rechtshandeling in strijd met een dwingende wetsbepaling, zoals voornoemd tweede lid, nietig is. Ik verwijs in dit kader verder naar hetgeen prof. De Boer hier nog meer over heeft gesteld.

Maar, zoals prof. De Boer ook stelt, kan deze illegale situatie worden rechtgetrokken indien naderhand de toestemming alsnog in een door belanghebbende(n) aan te geven periode wordt rechtgetrokken. Ten slotte de derde vraag wie onmiddellijk belanghebbende is en of daaronder ook bijvoorbeeld Amigu di Tera als natuurorganisatie valt te rangschikken, het volgende. Wie een onmiddellijk belanghebbende is zal per concreet geval moeten worden bepaald aan de hand van alle relevante omstandigheden. De rechter heeft daar het laatste woord in.

Of Amigu di Tera, als stichting, kan opkomen als belanghebbende is geregeld in artikel 305a van Boek 3 BW Curaçao. Dat artikel stelt dat een stichting of vereniging een rechtsvordering kan instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. Het lijkt waarschijnlijk dat de statutaire belangen van Amigu di Tera gelijksoortig zijn aan de belangen van het publiek om de stranden der zee die eigendom zijn van het Land Curaçao zoveel mogelijk openbaar te houden.

Als derhalve de regering de openbaarheid van stranden beperkt door uitgifte in erfpacht aan ontwikkelaars zonder daarbij de toestemming bij landsverordening verkregen te hebben, kan Amigu di Tera van de regering eisen daartoe alsnog binnen een door Amigu di Tera te stellen termijn die toestemming van de Staten te krijgen, dan wel dat de rechtshandeling tot erfpachtuitgifte zonder gevolg zal zijn.”

Bron: Antilliaans Dagblad

2 Reacties op “AD | ‘Alle stranden moeten vrij toegankelijk’

  1. @KKC redactie
    reactie op deze artikel was per abuis geplaatst (wilde op ander stuk reageren).

  2. Volgende stap van VBC zou een reisje naar de VS moeten zijn en Fox News en conservatieve think tanks als Cato Institute over de situatie op Curaçao inlichten. Hopelijk volgt dan een tweet van Trump zelf. Aankloppen bij parlementariërs uit Nederland is al geprobeerd.

    https://www.yahoo.com/news/trump-says-asked-pompeo-look-south-african-land-032314925.html

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *