BRNC heeft voor- en nadelen

Nadelige belastingregeling

Rijkswet Belastingregeling tussen Nederland en Curaçao (BRNC) heeft voor en nadelen

WILLEMSTAD — De totstandkoming van de Rijkswet Belastingregeling tussen Nederland en Curaçao (BRNC) is een belangrijke daad ter versterking van de internationale financiële sector. In diverse opzichten kan daarmee voorkomen worden, aldus de Raad van Advies (RvA), dat bedrijven in Curaçao hun activiteiten verplaatsen naar andere landen terwijl de aanwezigheid van deze belastingregeling met Nederland de aantrekkingskracht vergroot op nieuwe bedrijven.

Maar in haar advies wijst de RvA ook op mogelijke nadelen. De RvA is van mening dat de BRNC in meer of mindere mate invloed kan hebben op de belastinginkomsten van Curaçao, maar kan evenwel niet voorzien hoe groot het eventuele nadeel, veroorzaakt door de inwerkingtreding van de Rijkswet, voor Curaçao kan zijn. De RvA adviseert de regering dan ook om direct maatregelen te nemen om eventuele derving van belastinginkomsten op andere wijze te compenseren. Dat kan naar het oordeel van de RvA door na afstemming met de internationale financiële sector, een beleidsplan op te stellen waarin in kaart wordt gebracht hoe nieuwe bedrijven gestimuleerd kunnen worden om zich in Curaçao te vestigen, gebruikmakend van de afspraken ter zake, zoals neergelegd in de BRNC.

Na de inwerkingtreding van de BRNC, zal de BRK (Belastingregeling voor het Koninkrijk) blijven gelden tussen Nederland en Aruba en St. Maarten enerzijds en tussen de ‘eilanden’ anderzijds. Gezien de situatie dat de BRK onder andere voor wat betreft de ‘limitations of benefits’ bij dividendverkrijging gunstiger is dan de BRNC, zal dat ongunstig kunnen blijken voor Curaçao, in die zin dat bedrijfsactiviteiten van Curaçao naar Aruba of St. Maarten kunnen worden verplaatst. “Dit laatste zal ook het geval kunnen zijn indien tussen Nederland en Aruba of St. Maarten een nieuwe regeling wordt gesloten die voordeliger is voor Aruba respectievelijk St. Maarten.”

Verder wijst de RvA de regering erop dat – zowel in het geval de huidige BRK naast de BRNC blijft bestaan als in de gevallen waarin tussen Nederland en de andere ‘eilanden’ nieuwe belastingregelingen worden afgesloten – de nodige aanpassingen in de BRK dienen te worden aangebracht, dan wel overgegaan dient te worden tot nieuwe belastingregelingen met de ‘eilanden’.


Toekoms
t

Verder is de RvA van oordeel dat de BRNC voor wat betreft de belastingheffing van ‘deelnemingsdividenden’ in bepaalde opzichten ongunstiger blijkt dan de huidige BRK. “Belangrijk voor het bestaan van de internationale financiële sector is onder andere dat het dividend dat door een in Curaçao gevestigde onderneming ontvangen wordt van een Nederlands bedrijf waarin eerstgenoemd bedrijf een bepaalde deelneming houdt (houdstermaatschappij), met een zo laag mogelijke Nederlandse dividendbelasting wordt geconfronteerd.”

Een hoge dividendheffing, zo stelt de RvA, vermindert de aantrekkelijkheid van Curaçao als vestigingsplaats voor deze zogenoemde ‘passieve maatschappijen’. Hun vertrek uit Curaçao om zich te vestigen in bijvoorbeeld landen waarmee Nederland een lagere dividendheffing is overeengekomen, blijft dan vaak als enige optie over.

De RvA constateert dat de BRNC in principe, evenals de BRK, uitgaat van een algemene heffing van 15 procent. Bepaalde bedrijven die aan een aantal strenge vereisten voldoen worden niet aan dividendheffing onderworpen (0 procent). Ten slotte is, tot 2019, een percentage van 5 procent toepasbaar. De passieve vennootschappen die nu aan een belastingheffing van 8,3 procent onderworpen zijn, zijn dus bij de inwerkingtreding van de BRNC 5 procent en na het jaar 2019 15 procent aan Nederlandse dividendbelasting verschuldigd.

Voor de RvA is het zeker dat hierdoor veel van de onderhavige bedrijven na 2019, of zelfs eerder, uit Curaçao zullen vertrekken. Het gevolg daarvan kan zijn dat de betekenis van de internationale financiële sector voor de economie van Curaçao afneemt met alle gevolgen van dien. De Raad betreurt het dat in de BRNC niet een redelijk percentage tussen 0 en 15 procent, is opgenomen waarmee deze passieve maatschappijen konden worden belast en wijst daarnaast erop dat de regels van de Europese Unie inzake het vrij verkeer van kapitaal ook van toepassing zijn op het kapitaalverkeer tussen Nederland en de voormalige Nederlandse Antillen en op grond daarvan een zwaardere dividendbelasting niet zou zijn toegestaan. De RvA adviseert de regering de ontwikkelingen aangaande de interpretatie van de bepalingen van de Europese Unie in de gaten te houden en indien noodzakelijk de nodige stappen te nemen.

Nu het heffingspercentage tot 2019 van 8,3 naar 5 terug is gebracht zal er tevens sprake zijn van een achteruitgang in inkomsten voor het land. “Deze wijziging zal derhalve ook moeten leiden tot aanpassing van de (meerjaren)begroting”, aldus de RvA.

Bron: Amigoe

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *