CPA trekt hoger beroeptegen ex-directeuren in

WILLEMSTAD — Het hoger beroep dat door de rechtbank en dochteronderneming Kompania di Tou Kòrsou (KTK) was ingesteld tegen een eerdere gerechtelijke uitspraak, waarbij de gepensioneerde CPA-directeuren Agustin Diaz en Richard Lopez Ramirez in het gelijk werden gesteld, is weer ingetrokken.
Dit bevestigt CPA-huisadvocaat Bertie Braam, die verder geen commentaar wil leveren.

“De afspraak is dat de directie ofwel Humberto de Castro binnenkort middels een persbericht hierover nadere uitleg zal geven”

, aldus Braam.
Volgens ingewijden is de intrekking van het hoger beroep ingegeven door de nieuwe Raad van Commissarissen (RvC) van het overheidsbedrijf.
De griffiekosten bedroegen 30.000 gulden, zowel CPA als KTK heeft 15.000 gulden betaald.
De huisadvocaat nam de vertegenwoordiging op zich volgens een ‘no cure, no pay’-principe.

De zaak werd door bovengenoemde overheidsbedrijven aangespannen ‘voor het aangaan van buitensporige pensioenregelingen’, wat door de ex-directeuren in het verleden succesvol werd betwist.
De rechter heeft in januari van dit jaar CPA tot de kosten van 14.700 gulden voor het salaris van de raadsman van de oud-directeuren, Mirto Murray, veroordeeld .
De overheidsbedrijven meenden dat er ‘onterechte en te hoge pensioenpremies’ zijn betaald voor zowel Diaz als Lopez Ramirez en vorderden deze bedragen terug.
Braam gaf in zijn uiteenzetting aan dat CPA voor de pensioenverzekering van Diaz 1.414.805 gulden heeft betaald en voor Lopez Ramirez een bedrag van 1.387.775 gulden.

Volgens het onderzoeksrapport en berekeningen van accountant Terry Hernandez, die geassisteerd werd door Keesen Actuarissen, had het totaalbedrag volgens Braam voor Diaz uit moeten komen op 428.971 gulden en voor Lopez Ramirez op 437.734 gulden.
De gepensioneerde directeuren hebben hierop gesteld ‘dat alle organen van CPA, de RvC, het bestuur, zowel de economische als de juridische aandeelhouder (het Eilandgebied Curaçao en de Stichting Implementatie Privatisering ‘StIP’) expliciet hebben ingestemd met de handelingen, wat later door CPA bestreden zou worden’.

Het wederom aangaan van hoge proceskosten door het instellen van een hoger beroep in deze zaak, werd door het ministerie van Economische Ontwikkeling (MEO) meermalen aan de kaak gesteld.
Dit standpunt was gebaseerd op het feit dat de ex-directeuren eerder in het gelijk werden gesteld.
Het besluit van de CPA-directie om daar toch een vervolg aan te geven – nadat De Castro zich had laten adviseren door een ‘extern deskundig advocatenkantoor’ – werd genomen nadat daarvoor groen licht was gegeven door de vorige Raad van Commissarissen (RvC).
Het omstreden besluit was voor oud-MEO-minister Steven Martina (Pais) een van de redenen om zijn vertrouwen in de vorige RvC op te zeggen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *