DAE moet zich richten tot Gerecht Venezuela’

logo-daeWILLEMSTAD — Er is geen wettelijke bepaling op basis waarvan DAE de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning Earl Balborda kan verzoeken om handhavend op te treden tegen de Venezolaanse luchtvaartautoriteit Inac. Als DAE de sanctiemaatregelen die de Inac instelde ongedaan wil maken moet zij zich wenden tot het Gerecht in Venezuela. De verantwoordelijkheid ligt in deze zaak niet bij de minister.

Dat is de strekking van het verweer van de minister, die in de rechtszaak die DAE tegen hem heeft aangespannen wordt vertegenwoordigd door advocate Marcha Woudstra van HBN Law. Vandaag werd het verzoek van DAE aan de bestuursrechter tot een voorlopige voorziening inhoudelijk in de rechtszaal behandeld.

DAE, op haar beurt vertegenwoordigd door Arndt van Hoof van advocatenkantoor Soliana Bonapart & Aardenburg, vindt dat de Curaçaose Burgerluchtvaartautoriteit in gebreke is gebleven in de kwestie-Venezuela.
De CBA valt onder verantwoordelijkheid van de minister.
Op 13 juni trok de Inac de exploitatievergunning in van DAE waardoor de luchtvaartmaatschappij niet meer op dat land mag vliegen.

DAE wil dat de minister de Inac schriftelijk op de hoogte brengt van het feit dat DAE wel degelijk geldige vergunningen heeft, afgegeven door de CBA en daarom gewoon op Venezuela mag vliegen.
Ook zouden de omliggende landen op eenzelfde manier moeten worden ingelicht.
Volgens DAE heeft het CBA een zwaarwegend belang om van de Inac opheldering te vragen en kan er eventueel, conform het luchtvaartverdrag van Chicago, arbitrage aan te pas komen.
Maar volgens de tegenpartij moeten luchtvaartmaatschappijen die naar Venezuela vliegen volgens datzelfde verdrag van Chicago voldoen aan de wetgeving aldaar en had Venezuela het recht om de vergunning in te trekken, op basis van haar bevindingen.
Het verdrag van Chicago overstijgt volgens advocate Woudstra alle bilaterale of multilaterale verdragen tussen de landen.
De minister vindt het verzoek tot de voorlopige voorziening dan ook ongegrond.

De Inac besloot volgens Woudstra op 6 mei de vergunning van DAE tijdelijk op te schorten omdat zij vond dat de maatschappij niet aan bepaalde veiligheidseisen voldeed.
Op 13 mei trok de Inac de vergunning permanent in omdat DAE een aantal boetes niet zou hebben betaald.
Van Hoof liet merken het opmerkelijk te vinden dat de redenen ‘steeds verschuiven’.
Bovendien baseert de Inac zich volgens hem op verouderde informatie; zo zouden de vliegtuigen die technisch niet in orde waren bevonden door middel van een grondige c-check wel degelijk weer goed zijn en zijn de boetes inmiddels betaald.
Ook vermeldde hij het meest recente luchtwaardigheidscertificaat van DAE dat nog niet door de Inac zou zijn gezien.
De CBA had dit volgens hem allemaal moeten kunnen uitleggen aan de Inac.
Hij vertelde dat DAE dit ook zelf in een beroepsprocedure in Venezuela heeft ingebracht, maar dat DAE zich gesterkt zou moeten voelen door de eigen toezichthouder.

Woudstra bracht daar tegenin dat op het moment van de intrekking van de vergunning de boetes, die opgelegd waren naar aanleiding van het niet naleven van het vluchtschema en bepaalde passagiersrechten, nog niet betaald waren.
Dit gebeurde pas op 27 en 28 juni.
Ook zou volgens de CBA het technische onderhoudssysteem van DAE nog altijd flinke tekortkomingen vertonen en staat dat los van de vliegtuigen die inmiddels weer in orde zouden zijn.

Tot slot bepleitte Woudstra dat als er zaken rijzen tussen twee landen, in dit geval tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek van Venezuela, dit een zaak is voor Buitenlandse Betrekkingen, en dus de minister van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk, en niet die van de Curaçaose minister van VVRP.

De rechter zal maandag 15 juni schriftelijk uitspraak doen.
Het kan ook zijn dat de bestuursrechter beslist dat de burgerlijk rechter de bevoegde rechter is in deze zaak.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *