DBB stuit op ongeduld

Wapen NederlandDEN HAAG — “Het diplomatieke werk wordt vaak niet goed uitgelegd en niet goed begrepen. Men verwacht soms dat we meteen een verschil kunnen maken als we morgen naar Colombia gaan. Maar het kost jaren”, aldus Arthur Kibbelaar, directeur van de Curaçaose Dienst Buitenlandse Betrekkingen, vrijdagavond in het Curaçaohuis. Samen met zijn Arubaanse ambtgenoot Andy Lee gaf hij op uitnodiging van de Vereniging Antilliaans Netwerk uitleg over hun werk, dat voor buitenstaanders vaak moeilijk te doorgronden is.

door correspondent
Otti Thomas

De aanwezigen tijdens de bijeenkomst in het Curaçaohuis waren niet zozeer benieuwd naar taken als de uitgifte van visa of de voorbereiding van staatsbezoeken. Des te meer vragen waren er over de langetermijnstrategie om de relatie met het buitenland te verbeteren; de voorkeur voor bepaalde landen, de onderlinge samenwerking en de afweging tussen de nationale belangen en die van het Koninkrijk.

Beide topambtenaren kozen hun woorden zorgvuldig om politieke uitspraken met nationale of internationale implicaties te voorkomen, een terughoudendheid die zo nu en dan op onbegrip stuitte.

Waar Lee in ieder geval het Arubaanse streven naar strategische partnerschappen kon benadrukken, zag Kibbelaar zich geconfronteerd met het feit dat Curaçao nog maar aan het begin staat van een nationaal buitenlands beleid.

“Als u vraagt naar specifieke markten, dan denk ik aan Colombia, Panama en Brazilië. Bedrijven in de financiële sector als KPMG en Ernst & Young geven aan dat ze daar naar toe willen”, zei Kibbelaar.

Maar eigenlijk zeg ik daarmee nog niets, want voor we onze strategische doeleinden kunnen bepalen, moeten we ook naar de sectoren kijken, de toegevoegde waarde en een heleboel andere indicatoren.

We kunnen bovendien Suriname niet vergeten of Venezuela of Cuba.
En misschien kunnen we iets met de Dominicaanse Republiek, dat veel groente en fruit exporteert naar Europa, maar dat vergt weer veel van onze infrastructuur”

, zei hij.

Ook met betrekking tot de relaties binnen het Koninkrijk waren Lee en Kibbelaar voorzichtig. Curaçao en Aruba willen wel samenwerken, bijvoorbeeld door gezamenlijke handelsmissies. Aruba hielp Curaçao ook al toen er aansluiting gezocht werd bij de Pan American Health Organization.
Maar de samenwerking moet wel goed geregeld worden, zei Lee.

“Anders krijg je problemen over de verdeling op het moment dat de vruchten geplukt kunnen worden.”

Na de overeenkomsten van Arikok en Santha Martha is het overleg, ook met St. Maarten, eigenlijk stil komen te liggen, constateerde hij. Met Bonaire, St. Eustatius en Saba is er samenwerking op cultureel gebied.

“Maar we kunnen niet om Nederland heen”

, zei hij.

Drugscriminaliteit
Na aandringen van discussieleider Ivette Forster waagde Lee zich aan een concreet voorbeeld over de relatie met Nederland, hoewel puur hypothetisch.

“Nederland is gebonden aan de Europese Unie. Stel dat de Europese Unie zou besluiten om sancties te nemen tegen een Zuid-Amerikaans land, dan zou dat een probleem opleveren voor Curaçao en Aruba”

, zei hij.
Maar beiden benadrukten dat er door middel van overleg wel een oplossing bereikt kan worden.

“Het Koninkrijk is als een huwelijk. Als je vertrouwen hebt in elkaar, dan kom je er wel uit”

, zei Lee.

De toehoorders waren niet zo overtuigd van de bereidwilligheid van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken.

MAN-politicus Humphrey Senior citeerde een rapport met sterke kritiek op de mate waarin Nederland rekening houdt met de belangen van de overzeese Koninkrijksdelen.
Volgens de Arubaanse Staatsraad Hubert Maduro is er onvoldoende besef dat drugsmokkel ook het gevolg is van de hoge drugsconsumptie in Europa.
Een van de aanwezigen wees op de drugssmokkel, de hoge criminaliteit en de gespannen relatie met Venezuela en Cuba.

“Het Koninkrijk heeft Latijns-Amerika lange tijd volstrekt verwaarloosd. Nu krijgen ze plotseling door dat Brazilië steeds belangrijker wordt. Ik zou willen weten hoe Buitenlandse Zaken Curaçao en Aruba inzet voor de brugfunctie”

, zei hij.

Kibbelaar en Lee benadrukten dat Nederland zich wel degelijk inzet.

“Drugscriminaliteit is een probleem waar we allemaal mee te maken hebben.
De ouders van kinderen op Aruba, op Curaçao, in Nederland, in de Verenigde Staten.
Het is de verantwoordelijkheid van alle landen om dat samen aan de pakken en daar zijn samenwerkingsvormen voor”

, zei Lee, verwijzend naar de kustwacht.

“Met betrekking tot de politieke risico’s houdt het Koninkrijk de stabiliteit in het oog. Zolang de situatie niet te erg wordt omdat er bijvoorbeeld sprake is van genocide, houden we een goede relatie met onze buren. Want een goede buur is beter dan een verre vriend”

, aldus Lee.

“Ik begrijp de kritiek dat het alleen maar lijkt te gaan over structuren en platformen.
Ik begrijp het ongeduld”

, zei Kibbelaar.

“Maar als we geen kanalen hebben om over zaken als drugs te spreken, dan kunnen we problemen ook niet oplossen.
Er is geen alternatief.
Buitenlandse Zaken zoekt die kanalen op en geeft daar invulling aan.
Je moet de samenwerking met de Colombiaanse autoriteiten zo verbeteren dat de drugsbestrijding op Curaçao effectief wordt.
Het zegt misschien weinig als we op een handelsmissie praten over belastingverdragen, wetgeving en douaneregels, maar het is wel de voorbereiding van een bedrijf dat zaken wil doen in Zuid-Amerika.
Het lijkt abstract en ik begrijp het ongeduld. Het lijkt abstract, maar het gaat wel degelijk over de welvaart en toekomst van Curaçao.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *