DCLP | De andere kant van het pokopokobeginsel

Toespraak Deken Orde van Advocaten installatiezitting nieuwe rechters

Redevoering van mr. R.F. van den Heuvel, deken van de Orde van Advocaten Curaçao, ter gelegenheid van de installatie van de leden van het Gemeenschappelijk Hof mr. F.W.J. Meijer BBA, mr. drs. G. Edelenbos en mr. T. Veling op 20 oktober 2017.

Mevrouw de President, leden van het Hof, Excellentie, geachte aanwezigen,

1. We hebben vorige maand in Sint-Maarten gezien hoe kwetsbaar de rechtsstaat is. Er was weliswaar een orkaan voor nodig, maar als ik afga op de beelden van de plunderingen was het even een samenleving van ieder voor zich, totdat met hulp van defensie het gezag hersteld werd. Peter Lemaire, vice-president van het Hof te Sint Maarten schreef er een mooie column over. Lemaire beschrijft met bescheidenheid ook de veerkracht die de achtergebleven justitiële partners aan de dag hebben gelegd om de rechtshandhaving zo snel mogelijk weer op stoom te brengen, maar ook vanuit het OM en de advocatuur heb ik daarover vanuit hun eigen perspectief de ervaringen gehoord. Ik wil daar mijn grote waardering voor uitspreken. Ik wens de bovenwindse eilanden uiteraard een zo voorspoedig mogelijke wederopbouw toe.

2. Maar er is in een klein Caribisch land niet per se een orkaan voor nodig om de kwetsbaarheid van de rechtsstaat bloot te leggen. Die kwetsbaarheid is voor een deel ook inherent aan pijlers van onze trias politica zelf en ik wil in dat kader stilstaan bij de rol die de rechter daar in mijn visie te vervullen heeft.

3. Één van de dingen die het Caribische recht onderscheidt van het Nederlandse recht is dat wat Jeff Sybesma in een kritisch artikel over de rechtspraak van het Hof in 2000 voor het eerst het pokopoko-beginsel noemde. 1 Ere wie ere toekomt: de term is van hem. Pokopoko betekent langzaam. Dat begrip begon als een invulling van één algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en hield in dat de redelijke termijn in de Cariben langer duurt dan in Nederland. Maar inmiddels strekt het beginsel zich ook uit over andere beginselen van behoorlijk bestuur, en dan met name het vertrouwensbeginsel.

4. De Haan heeft het later diplomatiek verwoord, door te schrijven dat het niet betekent dat er andere of lagere maatstaven gelden, maar dat door het Hof aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een andere invulling wordt gegeven, rekening houdend met de lokale omstandigheden en maatschappelijke opvattingen in het Caribisch deel van het Koninkrijk. 2 Ik kan toch moeilijk anders dan er een lagere maatstaf in ontdekken. Ik denk niet dat op Curaçao een breed gedragen maatschappelijke opvatting is, dat het maar beter is dat de overheid traag is. Sterker nog, de overheid wil zelf ook wel stappen zetten, maar kampt met beperkingen in schaal en middelen.

5. Voor het vertrouwensbeginsel ligt dat niet veel anders. Vaste rechtspraak is inmiddels dat in een kleine samenleving, waar persoonlijke verhoudingen een grote rol spelen en een expliciete weigering niet gemakkelijk wordt gegeven, van groot belang is dat regels inzake bevoegdheid en formele besluitvorming strikt in acht worden genomen. En als dat niet gebeurt, dan mag de burger kort gezegd nergens rechten aan ontlenen. Ik ben er geen tegenstander van dat de overheid zijn eigen regels strikt in acht neemt, maar ik vind niet altijd sympathiek of wenselijk dat de overheid die daarin nalatig is zich vervolgens achter zijn eigen nalatigheid kan verschuilen. Er wordt daarmee wel veel last op de schouders van de burger gelegd. Aan de andere kant moet ik toegeven dat er ook gevallen denkbaar zijn waarin de overheid die bescherming wel nodig heeft. Dat zijn die gevallen waarin de overheid benadeeld wordt en anderen ten onrechte bevoordeeld worden ten koste van het algemeen belang.

6. Ik ben er zelf dus niet altijd gelukkig mee, maar wil aanvaarden dat het in het algemeen belang beter is om de overheid tot op zekere hoogte in bescherming te nemen tegen zijn eigen beperkingen in schaal en middelen. Dat lijkt mij uiteindelijk de kern van het beginsel. En dat betekent voor u als rechter dat u de behoorlijkheid van bestuur op sommige vlakken wat moet relativeren.

7. Maar volgens mij zit er aan de medaille van het pokopokobeginsel nog wel een andere kant, die nog onvoldoende uit de verf komt. Daar wil ik hier graag een lans voor breken in het belang van de rechtsstaat. Ik doe dat aan de hand van drie ware gebeurtenissen.

8. Zo’n vijf jaar geleden vernam de Statenvoorzitter dat er een motie van wantrouwen tegen de regering aankwam die ook nog zou worden aangenomen, heeft hij de vergadering geschorst en geweigerd nog te vergaderen, zich beroepend op het Reglement van Orde van de Staten. De voorzitter bepaalde immers wanneer er vergaderd werd. De regering liet op de achtergrond nog weten dat de Statenvoorzitter in zijn acties de steun van de regering had. Het was nogal wat: een parlementsvoorzitter die niet wil inzien dat het Reglement van Orde de smeerolie en niet de stok in de wielen van de democratie is. En een regering die niet wil begrijpen dat ze er zit bij de gratie van het parlement en niet andersom. Zo kan macht worden misbruikt. En dat is dus geen
ver-van- mijn-bedshow, maar iets dat zich letterlijk één deur verder voltrok.

9. Ik zei al: er is niet altijd een orkaan voor nodig. Ook dit zijn momenten dat een jurist zich moet realiseren dat de self-evident truths waarop de moderne westerse staten gegrond zijn nog altijd de kern zijn van zijn bestaansrecht. En ook dan moet hij zijn rol willen waarmaken en de democratie, letterlijk met recht, beschermen tegen antidemocratische krachten.

10. Dit jaar nog herhaalde de geschiedenis zich, maar dan erger. Het begon met het praktische probleem van overlopende Statenleden, die als een blad aan de boom van politieke kleur en partijvisie veranderden. Ik denk niet dat we een wet nodig hebben tegen zetelroof om dat te voorkomen. Wat we nodig hebben zijn fatsoenlijke politici die zulke acties bewaren voor gevallen waarin morele dilemma’s daar werkelijk om vragen en ik heb op geen enkele manier de indruk gekregen dat daarvan sprake was.

11. Met de nieuwe verhoudingen die toen ontstonden was het parlement in feite niet meer representatief, en dat was op zichzelf een goede reden om nieuwe verkiezingen uit te schrijven. Dat was ook gebeurd, maar de nieuwe meerderheid die een interim-regering had gevormd en die nota bene als hoofdtaak had meegekregen de verkiezingen te organiseren, heeft vervolgens geprobeerd om die verkiezingen te torpederen. We mogen dankbaar zijn dat de gouverneur en ook de Rijksminsterraad, die op andere momenten nog weleens als een olifant door onze porseleinkast loopt, dat hebben voorkomen. Maar ik weet dat er ook juristen waren die een kort geding voorbereidden voor het geval de aanwijzing uit zou blijven.

12. De instituties hebben dat probleem zelf opgelost en die zaak kwam daarom dus uiteindelijk niet voor de rechter. Ik had vervolgens willen zeggen: het gebeurt niet zo vaak dat de rechter moet oordelen over dingen die zich in het parlement afspelen, maar realiseerde mij toen dat dat in strafzaken de laatste tijd helaas nog weleens nodig is geweest. Ik moet daarom zeggen: de rechter oordeelt niet vaak over staatsrechtelijke geschillen. Maar als hij dat doet, welk beeld komt er dan naar voren?

13. In 2015 heeft een Statenlid geprobeerd een oordeel van de rechter af te dwingen over het optreden van de Statenvoorzitter, die hem van een vergadering had uitgesloten en een gebod gevorderd om weer tot de vergadering te worden toegelaten. De kortgedingrechter in eerste aanleg oordeelde dat hij wegens de machtenscheiding niet bevoegd was om de rechtmatigheid van die beslissing te beoordelen. Die beslissing lijkt mij niet juist. De burgerlijke rechter is altijd bevoegd, tenzij er een andere rechter bevoegd is. In hoger beroep oordeelde het Hof iets anders maar kwam nog steeds niet tot een inhoudelijk oordeel.

Het Hof zei dat de scheiding der machten met zich brengt dat de rechter uiterste terughoudendheid moet betrachten bij de beoordeling van geschillen als deze, waarbij een Statenlid bezwaar maakt tegen het optreden van de voorzitter, die op zijn beurt de bevoegdheden gebruikt die hem in het Reglement van Orde zijn toegekend. “Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan de rechterlijke taak meebrengen dat de rechter zich in een dergelijk geschil mengt,” zei het Hof.

14. Er zijn vast en zeker mensen die in zulke overwegingen de bevestiging zien dat de wet een instituut mist dat geschillen van staatsrechtelijke aard kan beslechten en dat we daarom een constitutioneel hof nodig hebben. Begrijp me niet verkeerd: ik denk dat een constitutioneel hof waardevolle diensten zou kunnen verlenen, maar ik heb moeite met het uitgangspunt dat wij een rechtssysteem hebben waarin een lacune zit, die het rechtssysteem zelf niet met rechtspraak op kan vullen. Daar hebben we u toch voor, als rechters?

15. Ik zie volstrekt niet in waarom u als rechters niet zou moeten of mogen beoordelen of wat de Statenvoorzitter daar deed, met alle beleidsvrijheid die hij heeft, wel of niet rechtmatig was tegenover het Statenlid. Uit het gegeven dat die vraag u wordt voorgelegd blijkt dat daaraan behoefte bestaat.

16. Toegegeven, wij hebben uiteraard de drie pijlers van wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht, maar met de drie voorbeelden die ik heb genoemd moet men vaststellen dat de pijlers van de wetgevende en de uitvoerende macht hier te lande niet altijd hun eigen last kunnen dragen. En dan lijkt mij in het algemeen belang wenselijk dat de rechtsprekende macht niet terughoudend is en met een inhoudelijke uitspraak een deel van die last uit handen neemt. En als dan bijvoorbeeld in zo’n zaak over het optreden van de Statenvoorzitter het antwoord is: dit valt binnen de grenzen van de beleidsvrijheid van de Statenvoorzitter en is dus niet onrechtmatig, dan is dat ook een antwoord. Maar als de rechter meent dat wat er gebeurt wel onrechtmatig is, dan zal hij dat ook gewoon moeten zeggen.

17. Dat is dus wat mij betreft de andere kant van het pokopokobeginsel: een rechter die, in het algemeen belang, ter bescherming van het functioneren van de rechtsstaat en zijn instituties, niet terughoudend is bij de juridische waardering van staatsrechtelijke aangelegenheden. Of anders gezegd: een trias politica met een koninkrijksaccent: machten steunend op eigen kracht doch met de wil elkander bij te staan.

18. Mr. Veling, mr. Edelenbos, mr. Meijer. Ik heb begrepen dat u voor uw komst naar het hof geen eerdere woon- of werkervaring in de Cariben had. Ik hoop dat u mijn woorden daarom met frisse onbevangenheid in overweging neemt. Ik feliciteer u van harte met uw installatie, en ik druk u op het hart: in deze kleine samenleving kunt u verschil maken. Wees daar niet zuinig in.

19. Ik dank u wel!

Voetnoten:
1 J. Sybesma, “Huldigt het gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba het ‘Pokopoko-beginsel’?”, TAR Justicia 2000, nr. 3, pp. 192-203
2 J. de Haan, “Einde van het pokopoko-beginsel?”, NJB 2013/138.

Bron: DutchCaribbeanLegalPortal

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *