Frielink: Over mensenrechten, schuldsanering en het referendum (3)

Door Karel Frielink Over mensenrechten, schuldsanering en het referendum (3)

Mr. Karel Fielink: "Steeds hetzelfde verhaal van advocaat mr. Eldon Sulvaran”

Mr. Karel Fielink: “Steeds hetzelfde verhaal van advocaat mr. Eldon Sulvaran”

Het doet mij deugd dat de heer Don Martina op mijn opiniestuk heeft gereageerd. Ik zal zijn reactie puntsgewijs bespreken. 1. Volgens de heer Martina leg ik hem woorden in de mond die hij niet heeft gebruikt.

Ik schreef, kort gezegd, dat de heer Martina Nederland, en met name minister-president Balkenende en staatssecretaris Bijleveld, beschuldigt van machtsmisbruik en van het schenden van mensenrechten, omdat Nederland zou hebben gedreigd de schuldsanering stop te zetten als ‘no’ bij het op 15 mei 2009 te houden referendum zou winnen, waarbij hij zich beroept op VN-Resolutie 2625.

Ik heb de heer Martina daarbij niets in de mond gelegd. Hij heeft dit immers gezegd. Van het radiointerview van René Roodheuvel met de heer Martina, waarin hij dit zegt, heb ik een kopie gemaakt.

2. Interessant is dat de heer Martina in dat interview ook aangeeft dat het Koninkrijk de eerstverantwoordelijke is als het gaat om het waarborgen van de mensenrechten. Moet die opmerking wellicht als een uitnodiging aan de Koninkrijksregering worden opgevat om zich bij ons te bemoeien met bijvoorbeeld Bon Futuro en de Isla-raffinaderij?

3. Over de inhoud van VN-Resolutie 2625 wil ik hier kort zijn. Op mijn weblog ben ik daar meer uitvoerig over geweest (http://www.curacaolaw. com/nederlandse-antillen/). Ik verwijs daarbij naar het proefschrift van Steven Hillebrink ‘The Right to Self-Determination and Post-Colonial Governance: The Case of the Netherlands Antilles and Aruba’ (2008). Hoewel dit een lastig onderwerp is, waarover talloze rapporten, boeken, artikelen, VN-resoluties en bindende adviezen zijn verschenen, gaat het er in de kern om dat een volk in vrijheid van het zelfbeschikkingsrecht gebruik moet kunnen maken.

4. In mijn opiniestuk in het Antilliaans Dagblad wijs ik op twee onderwerpen die in Resolutie 2625 aan de orde zijn: enerzijds de relatie tussen soevereine staten en anderzijds dat een volk in vrijheid over zijn toekomst moet kunnen beslissen. De heer Martina doet het ten onrechte voorkomen alsof ik mij op het eerste onderwerp richt en hij op het tweede, waarbij hij slechts een deel van mijn tekst citeert. Herlezing van mijn opiniestuk leert dat ik het nu juist wel over dat tweede onderwerp heb.

5. De Referendumcommissie is overigens niet van oordeel dat het bij het komende referendum om een zelfbeschikkingsreferendum gaat, zoals de heer Martina stelt. De referendumcommissie geeft aan dat in het komende referendum ook – ten minste impliciet – de vraag aan de orde is of hetgeen nu onderwerp van het referendum is, in meer algemene zin overeenkomt met het resultaat van het zelfbeschikkingsreferendum van 2005.

Omdat het referendum van 15 mei 2009 ‘aspecten vertoont’ van een zelfbeschikkingsreferendum, moet het referendum naar het oordeel van de Commissie voldoen aan internationaal en aan een zelfbeschikkingsreferendum gestelde eisen. Alleen al voor de morele legitimiteit van het referendum lijkt het mij verstandig dergelijke internationale eisen te respecteren. Dat is met name van belang nu er groeperingen zijn die van oordeel zijn dat sommige elementen van het onderhandelingsresultaat een aantasting zouden zijn van de in 2005 gekozen autonomie. Over de vraag of een dergelijk oordeel juist is, laat de Referendumcommissie zich niet uit, omdat zij in deze discussie geen stelling wil nemen.

6. Niet zo heel sterk vind ik de opmerking van de heer Martina dat ,,Frielink hetzij niet geheel bekend is met het vraagstuk van zelfbeschikking en mensenrechten dan wel niet beschikt over alle relevante informatie en documenten.” Dat is een argument gericht op de persoon die aan het debat deelneemt, niet op wat deze persoon inhoudelijk zegt. Een serieus debat behoort inhoudelijk te worden gevoerd. Bovendien, zelfs een dwaas kan het nu en dan bij het rechte eind hebben. Maar daar staat tegenover dat ook als 50 miljoen mensen iets zeggen dat dwaas is, het dan toch iets dwaas blijft. Het moet er dan ook niet om gaan ‘wie’ iets zegt, maar om ‘wat’ er wordt gezegd. In de campagne die wordt gevoerd, lijkt vaak van het omgekeerde te worden uitgegaan.

7. Voor wat betreft ‘machtsmisbruik’ verwijst de heer Martina enkel naar een uitspraak van prof. Alex Reinders, die van mening is dat Nederland de ‘bovenliggende partij is’ die Curaçao een ‘aantal dingen door de strot wil drukken’. Dat Nederland in de onderhandelingen heeft geprobeerd voor haar van belang zijnde onderwerpen erdoor te krijgen, levert op zichzelf nog geen ‘machtsmisbruik’ op.

Onze onderhandelaars hebben dat overigens ook geprobeerd. Bovendien gaat het hier om een mening, waaraan kennelijk autoriteit wordt toegekend, daar waar het hoort te gaan om een inhoudelijk debat over concrete voorbeelden en omstandigheden. Waar het om gaat is dat minister- president Balkenende en staatssecretaris Bijleveld ons eraan hebben herinnerd dat de Nederlandse Antillen, Curaçao en Sint Maarten zelf om schuldsanering hebben gevraagd en ermee hebben ingestemd dat de schuldsanering door Nederland kan worden stopgezet als er naar het oordeel van Nederland geen reëel zicht meer is op een succesvolle afronding van de staatkundige veranderingsoperatie.

Onderdeel van die veranderingsoperatie is overigens regelgeving die beoogt te waarborgen dat in de toekomst sprake is van een gezond budgettair beleid, zodat de schulden niet opnieuw ongecontroleerd oplopen.

Het is tamelijk evident dat als in meerderheid ‘no’ wordt gestemd, het proces van staatkundige herziening wordt gestremd en Curaçao dus niet kan voldoen aan de gemaakte afspraken. Het logische gevolg daarvan is dat ook de schuldsanering dan zeer waarschijnlijk stopt. Dat zou op zich zeer schadelijk zijn voor de toekomst van Curaçao, maar levert geen schending van mensenrechten op. Voor wat het waard is: ook prof. Reinders is het hier mee eens en meent dat een klacht bij de VN ‘weinig kansrijk’ is.

8. De heer Martina vraagt een bijdrage aan het debat van de Orde van Advocaten en de Juridische Faculteit van de UNA, en wel voor 15 mei 2009, over de geloofwaardigheid, legitimiteit en zorgvuldigheid van het referendum. Kennelijk heeft hij problemen met de bemoeienis van het Bestuurscollege en de regering. Het is logisch en juridisch ook toegestaan dat het Bestuurscollege en de regering het onderhandelingsresultaat, en daar gaat het referendum over, aan de bevolking van Curaçao uitleggen.

Het is bijvoorbeeld evenzeer toegestaan dat het Bestuurscollege als werkgever voorlichting geeft aan ambtenaren. De Orde van Advocaten heeft zich reeds tweemaal over juridisch van belang zijnde onderwerpen uitgelaten. De Orde heeft zich verzet tegen een aanwijzingsbevoegdheid van de Nederlandse minister van Justitie. Dat verzet is door de Raad van State overgenomen en dit onderwerp is nu ook politiek van tafel.

De Orde heeft zich in meerderheid positief uitgelaten over de toetsing door het Hof van Justitie van een aanwijzing van de toekomstige minister van Justitie van Curaçao waar het gaat om het vervolgen van burgers. Die toetsing is nodig om burgers te beschermen tegen willekeurige of politieke vervolgingen. Een brede discussie over het referendum zal zeker nog worden gevoerd, maar vergt niet alleen distantie, omdat door de campagne de gemoederen op dit moment oververhit zijn, maar ook een zorgvuldig feitenonderzoek.

Aan de door de heer Martina genoemde onderwerpen moet naar mijn idee worden toegevoegd de wijze waarop bepaalde groepen campagne hebben gevoerd, omdat een groot deel van de campagne niets met de inhoud van het referendum te maken heeft.

9. Tenslotte merk ik op dat ik in mijn opiniestuk zorgen heb geuit over het feit dat door bepaalde groepen in het ‘no’-kamp ongemeen fel en onheus campagne wordt gevoerd. Tegenstellingen worden daarbij vergroot en aangescherpt, mensen worden ongerust gemaakt, misleidende informatie is aan de orde van de dag en dat geldt ook voor het opwekken van vals sentiment.

De heer Martina heeft hier helaas niet op gereageerd. Er is door anderen in ingezonden stukken gewezen op onder andere intimidatie en racisme. Die wijze van campagnevoeren moet ook de heer Martina pijn doen. Het zou goed zijn als hij nog vóór het referendum publiekelijk afstand zou nemen van de mensen die zich bedienen van deze oneigenlijke campagnetactieken.

De heer Karel Frielink, die deze opiniebijdrage op persoonlijke titel schrijft, is als advocaat en partner verbonden aan Spighoff Advocatren & Belastingadviseurs. Hij is deken van de Orde van Advocaten Curaçao, tevens lid van het bestuur van de Kamer van Koophandel Curaçao en docent ondernemingsrecht aan de Universiteit van de Nederlandse Antillen. Op vrijdag 8 mei verscheen in het Antilliaans Dagblad een opiniestuk van Frielink onder de titel Over mensenrechten, schuldsanering en het referendum. Don Martina publiceerde in deze krant gisteren een reactie op dit stuk.

Bron: Antilliaans Dagblad

Zie ook: Dossier: Consensus Rijkswetten – en de strijd tegen de Rijkswetten

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *