FTM | Society-notaris en Nederlandse bank lieten de zon opkomen op belastingparadijs Curaçao

Tijn van Beurden | Follow The Money

Op 6 oktober 1950 liet Van Ravesteyn bij notaris Smeets de oprichtingsakte voor het Nederlandsche Handel-Maatschappij Trustkantoor Curaçao passeren. De Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) was een directe voorloper van ABN Amro.

Een stabiel land in de buurt van Amerika. Liefst vrij klein, zodat het makkelijk was om dingen gedaan te krijgen. Daar moest een trustkantoor komen om vluchtkapitaal aan het zicht en de greep van de fiscus te onttrekken. In september 1950 stuurde de Nederlandsche Handel-Maatschappij een man naar Curaçao om de mogelijkheden te verkennen.

Willemstad telde in 1942 niet minder dan 140 rechtspersonen, die hun statutaire zetel onder de Caribische zon onder hadden gebracht in brievenbusmaatschappijen voor het afhandelen van administratieve formaliteiten. Na de oorlog verloren die maatschappijen hun functie en werden ze weer opgedoekt. De herinnering aan Curaçao als toevluchtsoord bleef echter levendig, in ieder geval bij de directie van de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM), directe voorloper van ABN Amro en toentertijd de grootste bank van Nederland.

Een vertrouwelijke directienota uit mei 1950 schetste zowel het probleem als de bedachte oplossing. Vermogensheffingen leidden tot kapitaalvlucht. Om de bezitters van dat vluchtkapitaal te behoeden voor ‘fiscale moeilijkheden’ in het land waar zij belegden, moest je het verband tussen belegging en eigenaar verbreken door er een trust of holding in een derde land tussen te schuiven. Luxemburg had daar al veel succes mee. Volgens de nota hadden Nederlandse beleggers in de Verenigde Staten een groeiende behoefte aan dergelijke faciliteiten. Curaçao kwam ‘bij uitstek in aanmerking als vluchthaven’. Het ontbrak alleen nog aan deskundigheid en de juiste wettelijke regelingen. W. van Ravesteyn, onderdirecteur van het kantoor Amsterdam, kreeg daarom in het najaar van 1950 de opdracht te onderzoeken hoe de NHM haar zin kon krijgen.

Drie ezels en zes dinosaurussen

Van de Curaçaose deskundigheid in financiële zaken tijdens de jaren ’50 hadden betrokkenen geen hoge pet op: ‘drie ezels en zes dinosaurussen’ hielden zich op het eiland daarmee bezig. Dat oordeel was niet helemaal terecht. Weliswaar moesten mettertijd veel deskundigen van buiten worden aangetrokken, maar het eiland beschikte wel degelijk over een bepaalde expertise. Zo was er een vindingrijke en ondernemende notaris in de persoon van mr. A. A.G. Smeets. Anton Smeets bezat een flinke ervaring met het besturen van brievenbusmaatschappijen, want zijn kantoor had liefst 53 van de 140 zetelverplaatsingen behandeld, waaronder die van Koninklijke Olie.

Bovendien begrepen de autoriteiten heel goed hoe je met belastingtarieven bedrijvigheid kon aantrekken. Dat deed Curaçao namelijk al jaren. Toen Koninklijke Shell vrijstelling van in-, uit- en doorvoerrechten eiste als conditie voor het vestigen van de raffinaderij, vond de gouverneur van Curaçao dat een goed idee. In 1915 drong hij er bij de Koloniale Raad op aan om het bedrijf te gerieven met ‘zo vrijgevig mogelijke’ fiscale voordelen. Toen de Raad zes jaar later hierop terug wilde komen, wist de gouverneur dat met door Koninklijke geleverde argumenten te verhinderen. En hij kreeg gelijk. Mede dankzij de raffinaderij stegen de overheidsinkomsten zo sterk dat Curaçao vanaf 1928 zichzelf kon bedruipen en niet langer afhankelijk was van Den Haag. Tijdens de jaren 1930 ontwikkelden de Antilliaanse belastingautoriteiten bovendien het ingenieuze concept ‘fictieve winst’ om olieraffinaderijen efficiënt te kunnen belasten.

Geen wonder dat het NHM-idee warm ontvangen werd. Van Ravesteyn praatte met iedereen, de gouverneur, regeringsleden, politici, vertegenwoordigers van de drie banken, de Kamer van Koophandel en natuurlijk notaris Smeets. Die gesprekken overtuigden hem ervan dat de Antilliaanse regering bereid was op korte termijn de wettelijke regelingen te treffen die de NHM voor haar trustkantoor wilde hebben. Op 6 oktober 1950 liet Van Ravesteyn dan ook bij Smeets de oprichtingsakte voor het Nederlandsche Handel-Maatschappij Trustkantoor Curaçao passeren.

In tegenstelling tot wat je dikwijls leest, kwam het initiatief voor het ontwikkelen van een financiële offshore sector dus niet van notaris Smeets, maar van een Nederlandse bank, de NHM. En dat het aan deskundigheid zou hebben ontbroken, wordt eveneens weerlegd door het alerte reageren van de autoriteiten. Eind april 1951 diende de waarnemend gouverneur al een ontwerp-landsverordening in, die brievenbusmaatschappijen een vrijstelling van 90 procent gaf voor belasting op ontvangen dividenden. In september 1952 volgde een reductie van de bedrijfsbelasting voor brievenbussen tot 2,4 tot 3 procent, een tiende van het normale tarief. Die laatste maatregel gold alleen voor niet-ingezetenen, Antillianen konden er geen beroep op doen omdat de regering bang was te veel belastinginkomsten mis te lopen. Wel is het denkbaar dat Anton Smeets een duwtje aan het wetgevingsproces gaf, want hij was een geziene figuur met invloed.

Een katholieke societynotaris

De geboren Rotterdammer Anton Smeets (1909-1997) wilde na een studie notariaat en Indisch recht weg uit Nederland. Via zijn katholieke connecties hoorde hij dat er op Curaçao behoefte bestond aan een modern geschoolde notaris. Smeets werd benoemd in 1938 en ontwikkelde zich direct tot een prominent lid van de gemeenschap, een societyfiguur met een uitgestrekt netwerk – opmerkelijk voor een katholiek binnen de overwegend joodse dan wel protestantse elite. Het gouvernement erkende zijn capaciteiten en vroeg hem bij het uitbreken van de oorlog zitting te nemen in de Commissie Regeling Rechtsverkeer in Oorlogstijd (CORVO).

Die commissie moest allerlei juridische problemen oplossen waar bedrijven door oorlogsomstandigheden mee worstelden. Wie had recht op de dividenden van een groot Colombiaans brouwerijconsortium bijvoorbeeld: de meerderheidsaandeelhouder in het door de Duitsers bezette Nederland, of het nieuwe, op Curaçao gevestigde bedrijf? Voor deze en andere kwesties reisde Smeets frequent en bij voorkeur per vliegtuig, niet alleen naar Bogotá maar ook naar bijvoorbeeld New York.

Al snel vervulde hij allerhande officiële functies: plaatsvervangend lid van het Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen (1940-1958) en Statenlid (1946-1947), naast een reeks andere lidmaatschappen van commissies en besturen. Smeets’ huwelijk in 1941 was een society event. De kerkelijke voltrekking werd ingezegend door de apostolisch vicaris mgr. P.J.H. Verriet in aanwezigheid van de gouverneur. Beiden lieten zich ook zien op de drukke receptie, waar ze iedereen ontmoetten die wat betekende op het gebied van het Curaçaos bestuur, onderwijs, de olie, industrie of handel.

Aanvankelijk sorteerden de offshoreplannen weinig effect

Smeets was dan wel niet de initiatiefnemer van de offshoreplannen, hij begreep het belang ervan voor Curaçao direct en zal zijn invloed hebben aangewend om de gewenste regelingen erdoor te drukken. Die sorteerden aanvankelijk vrij weinig effect. Twee van de vier lokale banken richtten nog in 1951 een trustkantoor op. Datzelfde jaar versterkte de NHM haar positie door een 50 procent-aandeel te nemen in de bankiersfirma Edwards, Henriquez & Co. en diens trustkantoor. In 1952 openden de Nederlandse bankiersfirma’s Heldring & Pierson en Pierson & Co. een gezamenlijk trustkantoor, een jaar later gevolgd door Smeets met een voorloper van zijn latere, zeer succesvolle Curaçao International Trust Company (Citco). Ondanks nijvere pogingen van de NHM om in New York belangstelling voor de nieuwe mogelijkheden te wekken, gingen de zaken pas lopen tijdens de tweede helft van de jaren ’50. Dat was het resultaat van doelgerichte en met elkaar samenhangende acties van de Antilliaanse regering om de financiële offshore door belastingverdragen voor inwoners van andere landen aantrekkelijker te maken.

Een schijntje op het eiland

Met de Indonesische onafhankelijkheid van 1949 ontstond de noodzaak om de verhoudingen tussen de verschillende gebiedsdelen opnieuw te regelen. Een Interimregeling van 1950/1951 gaf de Antillen autonomie van bestuur onder behoud van een nauwe band met Nederland. Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden bevestigde die vier jaar later. De band was van essentieel belang voor het succes van de financiële offshore op Curaçao. De Nederlandse betrokkenheid verleende een cachet van betrouwbaarheid aan de dienstverlening, want het eiland bleef binnen hetzelfde rechtsstelsel. Curaçao had Nederland bovendien nodig om belastingverdragen te sluiten met andere landen. Beleggen via een brievenbusmaatschappij was namelijk pas interessant als de kosten ervan opwogen tegen de vermeden belasting. Daarvoor moest Curaçao andere landen bereid zien te vinden afspraken te maken over voorkoming van dubbele belasting. Gebruikers van een brievenbus betaalden dan minder of zelfs niets in eigen land en een schijntje op het eiland.

Van de VS, Engeland en Nederland verwachtten de autoriteiten het meest, dus die kregen prioriteit. In juni 1951, min of meer gelijktijdig met de eerste wet op offshore vennootschappen, deed de Antilliaanse regering een verzoek om toe te mogen treden tot het Nederlands-Amerikaanse belastingverdrag van 1948. De onderhandelingen liepen via de Nederlandse ambassade in Washington. Ze werden niet alleen door Financiën nauwlettend gevolgd, maar ook door het bedrijfsleven, waaronder accountantsbureau Kraayenhof en Unilever. Toen de zaak wat lang leek te duren, uitte Unilever daarover zijn ongerustheid bij de ambassade. In 1955 was de toetreding een feit. Royalty- en rentebetalingen aan Curaçaose brievenbusmaatschappijen vielen voortaan niet meer onder de 30 procent Amerikaanse bronbelasting, het tarief op dividendbetalingen werd verlaagd naar 15 procent.

Binnen vijf jaar wilde de Amerikaanse regering de afspraken op zijn minst herzien

De New Yorkse vertegenwoordiger van Unilever, M. Meihuizen, had hierop zitten wachten. Hij vertrok direct naar Willemstad om een dochter van het administratiekantoor Unitas op te richten. Dat was nog maar het begin: het aantal daar gevestigde offshore-ondernemingen verdubbelde van 180 in 1956 tot bijna 400 het jaar daarop. Binnen vijf jaar wilde de Amerikaanse regering de afspraken opzeggen of op zijn minst herzien. Washington vond dat te veel niet-ingezetenen van de Antillen van het verdrag profiteerden en daar was het niet voor bedoeld.

Omdat Nederland de benodigde toestemming had gegeven tot de verdragstoetreding, wist Den Haag dus waar het aan begon toen de Antilliaanse regering in 1954 vroeg om een nieuwe regeling van de fiscale Koninkrijksverhoudingen’, wist Den Haag dus waar het aan begon toen de Antilliaanse regering in 1954 vroeg om een nieuwe regeling van de fiscale Koninkrijksverhoudingen. De Antillianen wonden er geen doekjes om. Ze stelden voorop dat ze dividenden vanuit Nederland vrijgesteld wilden zien van bronbelasting. Aanvankelijk verzetten de Haagse onderhandelaars zich, omdat de ‘vergaande belastingfaciliteiten in de Antillen’ belastingvlucht mogelijk zou maken. Ze zwichtten uiteindelijk op voorwaarde dat zij de regeling konden beëindigen als de verwachte belastingvlucht ‘onaanvaardbare afmetingen’ aannam. Daar verzette de Antilliaanse delegatie zich weer tegen. Wat moesten de Amerikanen er wel niet van denken dat juist Nederland een noodrem wilde? Uiteindelijk kwam het tot een compromis in de Belastingregeling Koninkrijk (BRK) van 1965. Dat was een soort belastingverdrag tussen Nederland en de Antillen, waarbij de Antillen hun vrijstelling van bronbelasting voor vanuit Nederland uitgekeerde dividenden kregen en Den Haag die noodrem. Uit de beschikbare archieven blijkt helaas niet of het bedrijfsleven en de financiële sector druk uitoefenden om de regeling tot stand te brengen. Waarschijnlijk is dat wel. Vertegenwoordigers van bijvoorbeeld Unilever, Koninklijke Shell, Philips en C&A aarzelden niet om gevraagd of ongevraagd hun wensen kenbaar te maken, al dan niet via banken als de NHM.

Met de BRK maakte de regering dus willens en wetens belastingvlucht mogelijk vanuit Nederland. Waarom deed Den Haag dat, waarom offerde het eigen belastinginkomsten op? Waarschijnlijk omdat de dividendvrijstelling van de BRK ook mogelijkheden schiep voor belastingvlucht via Nederland. Een Zweeds bedrijf bijvoorbeeld kon van het lage Antilliaanse tarief profiteren door domicilie te kiezen in een Amsterdamse brievenbus en daar binnenkomende dividenden door te sturen naar Curaçao. De BRK faciliteerde dus de opbouw van zowel het Curaçaose als het Nederlandse belastingparadijs. Die ‘onaanvaardbare afmetingen’ bleven ongedefinieerd, al zou de noodrem nog van pas komen. Op Curaçao kon de bloeitijd beginnen.

Een Reactie op “FTM | Society-notaris en Nederlandse bank lieten de zon opkomen op belastingparadijs Curaçao

  1. Trots op Curaçao

    Interessant. Zeker nu aan de noodrem wordt getrokken en wij hier dus minder inkomsten kunnen verwachten van de fiscale smokkelroute.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *