FTM | Zo zakte de zon in het tropisch belastingparadijs

Tijn van Beurden | Follow the Money

Zo zakte de zon in het tropisch belastingparadijs | ANP Robin Utrecht

Na een lange periode van spectaculaire groei sloot de Amerikaanse regering het ‘Antillean Window’. Dat was een forse klap voor het tropische belastingparadijs. Nederlandse maatregelen beperkten daarna de mogelijkheden tot herstel. Een reconstructie van de neergang.

  • Al in de jaren ’60 had Washington goed door dat de Amerikaanse belastingvoordelen van de Curaçaose offshore genoten werden door partijen die daar geen recht op hadden. Onder druk van de VS werd het onderlinge verdrag daarom gewijzigd.
  • Per 1 januari 1965 golden de voordelen alleen voor bedrijven waarvan alle aandelen in handen waren van natuurlijke personen gevestigd op de Antillen of Nederland, of rechtspersonen in Nederland. Zo leken de Amerikanen dit Antillean window te sluiten.
  • De werkelijke nekslag kwam pas in de jaren ’80, na een periode van ongekende bloei. Destijds wilden de Amerikanen opnieuw hun verdrag met de Antillen herzien. De Antilliaanse regering koos voor een vertragingstactiek.
  • De Nederlandse regering stelt in 1979 eenzijdig een ontwerp-Reparatiewet op, die de Antillen belastingtechnisch een stuk onaantrekkelijker maakte.
  • Mede dankzij de pensionadoregeling leeft de offshore in de jaren ’90 korte tijd op. Door deze uitdagende zet lopen de gemoederen tussen Nederland en de Antillen hoog op.

Was deze speedread nuttig?

1960. Net vijf jaar na de totstandkoming van het Antilliaans-Amerikaanse belastingverdrag kreeg Washington bedenkingen. Allereerst door het Antilliaanse belastingpercentage van 2,4 tot 3 procent: veel te laag, vonden de Amerikanen. Niet alle partijen, die genieten van alle belastingvoordelen die het eiland biedt, hebben daar recht op. Tussen die partijen zat een groeiend aantal Amerikaanse fondsen en bedrijven, die via een Antilliaanse vestiging hun vaderlandse belasting op bedrijfsinkomsten sterk wisten te verlagen. Verhuurders van schepen of booreilanden maakten om dezelfde reden gebruik van het Nederlands-Amerikaanse belastingverdrag. De Amerikaanse regering was er bovendien beducht op dat aan Zuid-Amerikaanse landen verstrekte ontwikkelingsgelden frauduleus terugvloeiden naar de VS via Curaçaose brievenbusmaatschappijen.

Washington deelde de Antillen in 1962 mee dat de VS het verdrag op korte termijn zou opzeggen. Aan de ene kant bagatelliseerde de Antilliaanse regering de omvang van de door Amerika geconstateerde problemen. Zo liep volgens de Antilliaanse regering de Amerikaanse belastingdienst door het verdrag niet meer dan 3 à 4 miljoen dollar mis en maakten Zuid-Amerikanen helemaal geen gebruik van Antilliaanse vennootschappen.

Anderzijds stelden de Antilliaanse onderhandelaars, zich bewust van hoe zwaar de Cubaanse revolutie van 1959 de Amerikanen op de maag lag, dat een vermindering van belastinginkomsten uit de Curaçaose offshore (naar schatting 1 miljoen dollar) tot politieke instabiliteit kon leiden. Geadviseerd door New Yorkse advocaten en een New Yorkse bankier plus het Curaçaose trustkantoor van de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) begon de Antilliaanse regering de onderhandelingen te vertragen, om de voordelen zo lang mogelijk uit te spinnen.

Wat vooraf ging

Omdat de Nederlandsche Handel-Maatschappij Nederlandse beleggers in de Verenigde Staten wil behoeden voor ‘fiscale moeilijkheden’, moest er een trust of holding in een derde land komen om het verband tussen belegging en eigenaar te verbreken. Liefst niet te ver weg, en klein genoeg om alles makkelijk te kunnen regelen. Enter: Curaçao.

Na een verkenningsmissie door een onderdirecteur richtte de Nederlandsche Handel-Maatschappij in oktober 1950 een trustkantoor op in Willemstad. Dat gebeurde ten kantore van notaris Anton Smeets, die zich sinds zijn aankomst op het eiland in 1938 rap had ontwikkeld tot een invloedrijk societyfiguur.

De invloedrijk societyfiguur notaris Antonius A.G. Smeets | Foto STvB advocaten

Pas na toetreding van de Antillen tot het Nederlands-Amerikaanse belastingverdrag in 1955 gingen de offshorezaken goed lopen. Rond 1975 is de opbouw van de Curaçaose offshore voltooid en gaan de remmen los.
Steeds meer bedrijven en particulieren ontdekken hoe ze via het eiland belasting kunnen vermijden. Medio jaren ’80 komt de helft van alle overheidsinkomsten uit offshore-activiteiten.

Het was een zwakke strategie, die niet ondersteund werd door feiten. De offshore stelde begin jaren ’60 nog vrij weinig voor. Het dreigende belastingverlies waarmee de Antillen schermden, was slechts 3 procent van de totale belastinginkomsten. De Amerikaanse belastingdienst liep naar schatting een veelvoud van die geclaimde derving mis, namelijk rond de 85 miljoen dollar. En Zuid-Amerikaans gebruik van brievenbusmaatschappijen viel niet te achterhalen, omdat de eigenaren meestal schuilden achter toonderaandelen. Washington stelde de Antillen simpelweg voor het blok: als de Antillen de voorgestelde wijzigingen niet wilde accepteren, zegde Amerika het verdrag op.

Het gewijzigde verdrag ging per 1 januari 1965 in. Voortaan golden de Amerikaanse belastingvoordelen op dividenden, rente en royalty’s alleen voor bedrijven waarvan alle aandelen in handen waren van natuurlijke personen, gevestigd op de Antillen of in Nederland of rechtspersonen in Nederland.

Toch bleven de Antillen onverminderd aantrekkelijk voor bedrijven en beleggers, die hun belastingafdracht aan de VS wilden beperken. De Antillen maakten slim gebruik van een achterpoort in het verdrag. De verklaring waaruit bleek dat een gebruiker recht had op belastingvoordeel, moest de Antilliaanse belastingdienst afgeven. Die deed dat ook, maar zonder te kunnen verifiëren wie de toonderaandelen eigenlijk bezat. Door dat handigheidje bleef het zogenaamde Antillean Window wijd openstaan.

Klagen over Reparatiewet

Hoewel de verdragswijziging aanvankelijk de offshore op Curaçao leek te bedreigen, maakte de sector in de jaren ’70 een ongekende groei door. Dat viel op. In 1979 besloot de Nederlandse regering buitenlandse beleggingsfondsen, waaronder die op de Antillen, minder aantrekkelijk te maken. Dat gebeurde via een wetsontwerp dat het fictieve rendement van 3,6 procent, dat de belastingdienst voor dergelijke instellingen hanteerde, verhoogde naar 6 procent. Beleggingsfondsen als Rorento, die de Antillen als thuisbasis hadden, klaagden steen en been over deze voorgenomen Reparatiewetgeving. Het mogelijke rendement van beleggingen in Rorento nam inderdaad af, maar bleef nog altijd zeer aantrekkelijk.

De Antilliaanse regering protesteerde boos tegen dit wetsontwerp. Nederland had dit zonder overleg gemaakt, terwijl het Antilliaanse belangen zwaar trof. De maatregel zou 375 offshore bedrijven bedreigen en de regering zou 15 miljoen Antilliaanse guldens aan belastinginkomsten mislopen. Dat vergrootte de kans op sociale onrust ‘met alle gevolgen van dien’.

Nederlandse beleggers hielden op Curaçao hooguit 25 man aan het werk

Dat was wat overdreven. De Antillen bleven aantrekkelijk voor beleggingen. De daardoor gegenereerde belastinginkomsten bleven behouden. Verder hielden Nederlandse beleggers op Curaçao naar schatting hoogstens 25 man aan het werk, op een totaal van 460 personen offshore en een beroepsbevolking van ongeveer 45.000. Veel onrust viel er dus niet te verwachten. Het bezwaar dat de Antillen vooraf niet in het wetsontwerp gekend waren, vond bij de Tweede Kamer wel gehoor. Besprekingen tussen beide regeringen leidden tot de Reparatiewetgeving, met een erkenning dat de Antillen recht hadden op compensatie voor geleden schade. Een Nederlands-Antilliaanse werkgroep moest de hoogte daarvan vaststellen. De Antilliaanse regering claimde 40 miljoen Antilliaanse gulden, 25 miljoen deviezenverlies en 15 miljoen gemiste winstbelasting, maar leverde geen cijfers om die bewering te staven. Geen wonder, want de inkomsten uit zowel deviezen als winstbelasting bleven enorm stijgen, zodat de claim niet hard te maken viel. Ook de zogenaamd bedreigde bedrijven bleven gewoon op hun plek, Rorento tot 2013. Ondanks alle protesten had de Reparatiewetgeving geen weerslag op de Curaçaose offshore.

13 procent van alle rente

Het wegvallen van de voordelen ontleend aan de Amerikaanse wetgeving en het belastingverdrag met de VS hakten er wél diep in. Medio 1979 liet Washington aan Willemstad weten het verdrag opnieuw te willen herzien. Dat was de start van onderhandelingen, die na maar liefst negen jaar mislukten omdat de Antilliaanse regering hardnekkig vasthield aan geheimhouding van klantgegevens.

De Amerikanen wilden herziening, mede omdat er publieke opschudding in de VS was ontstaan over de vermeende enorme omvang van buitenlands vastgoedbezit en landbouwgrond. Beleggen in Amerikaans vastgoed was tijdens de jaren ’70 inderdaad zeer aantrekkelijk voor buitenlanders: de dollar was goedkoop, het rendement hoog. Veel van deze beleggingen liepen via Curaçao, omdat gerealiseerde waardestijging op vastgoedverkoop door de VS noch door de Antillen werd belast. In 1978 bijvoorbeeld, ontvingen de Antillen met hun 230.000 inwoners 13 procent van alle door de VS aan het buitenland betaalde rente. Dat geld moest dus wel voor een groot deel naar belanghebbenden gaan, die geen recht hadden op de voordelen van het belastingverdrag. Voor Washington was dat aanleiding om alsnog aan te dringen op een lang gekoesterde wens: informatie over eigenaars of begunstigden van offshore vennootschappen krijgen, om treaty shopping door derden uit te sluiten. Onder geen beding wilden de Antillen die verstrekken: geheimhouding van klantgegevens was cruciaal voor hun belastingparadijs.

Washington kreeg in pogingen het Antillean window te sluiten te maken met verzet van het eigen bedrijfsleven

Om zoveel en zo lang mogelijk alle Amerikaanse voordelen te behouden, traineerde de Antilliaanse regering opnieuw de onderhandelingen. Ook bleef zij wijzen op het belang van een bloeiende offshore voor de sociale stabiliteit op de eilanden. Om dat laatste argument extra te benadrukken bij de VS, werd Nederland ingeschakeld. Dat het onderhandelingsproces zo lang duurde, lag echter niet aan de Antilliaanse vertragingstactiek of argumenten, maar aan de dynamiek van de Amerikaanse besluitvorming. Washington kreeg eerst te maken met verzet van het eigen bedrijfsleven, dat het Antillean Window naarstig gebruikte. Curaçao bezat een praktisch monopolie op het plaatsen van Eurobonds voor Amerikaanse bedrijven. Die bezigheid piekte in 1982 met 10 miljard dollar.

Een conceptverdrag dat niet te weigeren viel

Twee jaar later besloot het Congres om de 30 procent bronbelasting op rente af te schaffen. In één klap waren de vele Antilliaanse brievenbusmaatschappijen, waarmee beleggers die belasting omzeild hadden, overbodig. Toen beide regeringen het in 1986 eindelijk eens waren over een nieuw conceptverdrag, nam het Congres een Tax Reform Bill aan. Omdat die wetgeving in de toekomst potentieel schadelijke gevolgen kon hebben voor de Curaçaose offshore, hadden de Antillen vooraf bedongen dat heronderhandelingen over het conceptverdrag mogelijk waren. Die kans grepen ze nu met beide handen aan. Maar hoe de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek ook aandrong bij zijn Amerikaanse collega, hij kreeg slechts als antwoord dat de VS geen reden zag om de fiscale industrie op de Antillen te steunen. In mei 1987 stelde Washington een ultimatum: tenzij de Antilliaanse regering het conceptverdrag met duidelijke regels over informatie-uitwisseling aanvaardde, zegde Amerika het bestaande verdrag eenvoudig op.

Op de Antillen heerste verdeeldheid. De bedrijven waren tegen het concept en hoopten tegen beter weten in op verdere onderhandelingen over concessies. Vooral banken wilden wel een verdrag met de VS vanwege de status in het internationale verkeer, met de gedachte dat een half ei beter was dan een lege dop. Kijk maar naar Barbados, was hun argument. Met Barbados had de VS medio 1983 immers ook het belastingverdrag opgezegd. Daar tekenden onderhandelaars eind 1984 al een aangepast verdrag, dat per februari 1986 van kracht werd. Daar had Barbados niet onder geleden. Het baatte niet: de Antilliaanse regering verwierp het concept, waarna de Amerikanen het bestaande verdrag per januari 1988 opzegden.

Al na enkele jaren betreurden de Antillen hun weigering van het Amerikaanse conceptverdrag

Met de bronbelasting afgeschaft en het verdrag opgezegd waren de belangrijkste pijlers onder de Curaçaose offshore weggeslagen. Aan ruim twintig jaar onstuimige groei kwam duidelijk een eind; het aantal offshore ondernemingen, de overheidsinkomsten uit winstbelasting en de deviezenontvangsten begonnen te dalen.

Al na enkele jaren betreurden de Antillen hun weigering van het Amerikaanse concept, vooral omdat Barbados profiteerde van hun herziene verdrag met de VS. Tot twee keer toe probeerden de Antillen alsnog een verdrag te sluiten. Tevergeefs, ze hadden de boot gewoon gemist. Door verdeeldheid tussen de verschillende bedrijfsgroepen wist de Curaçaose offshore ook geen duidelijke nieuwe koers te kiezen. Geleidelijk haalden concurrenten als de Kaaimaneilanden, de Britse Maagdeneilanden en Bermuda de Curaçaose offshore in.

Nederland krijgt de schuld

Parallel aan de onderhandelingen over verdragsherziening met de VS liepen besprekingen tussen de Antillen en Nederland over aanpassing van de Belastingregeling Koninkrijk van 1965 (BRK). Vergeleken met het verlies van de Amerikaanse voordelen stelde die aanpassing weinig voor, maar Antillianen hebben het altijd gezien als de grote aantasting van de offshore, een die het latere verval verklaart. In 2008 beschuldigde de Curaçaose politicus G. Damoen Nederland ervan dat het de goed lopende offshore-sector de das om gedaan had. Veel Curaçaoërs onderschrijven die onjuiste voorstelling van zaken.

Tegen het einde van de jaren ’70 begon de Nederlandse pers kritisch te schrijven over de BRK en de onbelaste stroom dividenden naar de Antillen. Die geldstroom zwol sterk aan; van 146 miljoen gulden in 1978 tot 1,8 miljard in 1981. Grote, in Nederland gevestigde ondernemingen gebruikten de Antillenroute om hun dividend-afdracht aan de Nederlandse fiscus te verlagen. Op die manier konden ze hun winst verhogen en hun internationale concurrentiepositie versterken. De geldstroom werd voor een flink deel gevoed door buitenlandse bedrijven. Nederland had inmiddels belastingverdragen gesloten met alle mogelijke landen. Bedrijven konden via die weg elders verdiende royalty’s, dividenden of andere inkomsten tegen een gunstig tarief naar een Nederlandse brievenbus sturen. De inkomsten werden licht belast en konden vervolgens doorgestuurd worden naar een praktische bestemming, die natuurlijk ook een belastingverdrag met Nederland had.

Popsterren en filmproducenten maakten graag gebruik van de belastingvoordelen van een Amsterdams bv’tje

Door de globalisering kregen steeds meer grote bedrijven behoefte aan zo’n financieel verzamelpunt. Ook popsterren en filmproducenten maakten graag gebruik van de belastingvoordelen die een Amsterdams bv’tje bood. Ondanks het lage tarief hield de Nederlandse overheid daar een aardig centje aan over, terwijl fiscalisten, advocaten en notarissen er eveneens van profiteerden. In wezen deed Nederland dus hetzelfde als de Antillen: belastingconstructies faciliteren die inkomsten genereerden voor de overheid en het financieel-juridische bedrijfsleven.

Kritiek (en dividend) zwelt aan

Met de stroom dividenden zwol ook de kritiek van verdragspartners aan. Zij wilden het weglekken van belastingbronnen via Nederland naar de Antillen en elders stoppen en drongen daarom aan op verdragsherziening. Den Haag kwam daaraan tegemoet door een bronbelasting in te voeren op uitgaande dividenden naar de Antillen. Hoog genoeg om de klachten van verdragspartners te doen ophouden, laag genoeg om de geldstroom niet te verstoren want, zoals een ambtelijke notitie het uitdrukte, ‘Nederland is mede door het bestaan van de Antillenroute een financieel knooppunt geworden’. De belangen van grote bedrijven en de financieel-juridische industrie wogen voor de regering kennelijk zwaarder dan verlies van belastinginkomsten.

In februari 1981 liet minister van Financiën Fons van der Stee aan zijn Antilliaanse ambtgenoot weten dat hij de Belastingregeling Koninkrijk wilde herzien. De Belastingdienst pakte inmiddels schijnconstructies met brievenbusmaatschappijen aan door hen naheffingen op te leggen en vrijstelling van dividendbelasting te weigeren. De kapitaalvlucht liep ook bepaald de spuigaten uit: slechts drie offshorebedrijven op Curaçao ontvingen in 1981 1,1 miljard gulden aan dividend uit Nederland, 60 procent van het totaal. Financiën vroeg tegelijk fiscale informatie aan de Antillen over die drie bedrijven, wat de druk op de onderhandelingen natuurlijk subtiel verhoogde.

Uit eigenbelang koos Nederland voor een gematigde verhoging van de dividendbelasting

De Antillen gingen wederom op de vertragingstoer in hun onderhandelingen, en wezen op dreigend sociaal onheil als de offshore-sector een veer zou moeten laten. Ook wezen ze fijntjes op het profijt dat Nederland had van de Antillenroute, en hoe dat zou lijden van een BRK-herziening. Het baatte niet. Nederland hield voet bij stuk, scherpte de inlichtingenparagraaf in de BRK aan en verhoogde het dividendbelastingtarief van 0 naar 7,5 procent. Gevoegd bij het Antilliaanse tarief leverde dat in de praktijk een totale heffing van 8,3 procent op. Dat leek heel wat, maar bleef met ongeveer een derde van het normale tarief van 25 procent nog altijd zeer voordelig.

Nederland koos dus uit eigenbelang voor een gematigde verhoging, met kleine schade voor de eigen financieel-juridische industrie en de Antillen en met hopelijk minder klachten van verdragspartners tot gevolg. Met ingang van 1986 werd de gewijzigde BRK van kracht. Rente en royaltystromen bleven onbelast, zoals voorheen. Dat de BRK-wijziging niet de nekslag betekende voor de Curaçaose offshore blijkt wel uit de groei tot medio jaren ’90, na een korte inzinking door het wegvallen van de Amerikaanse bronbelasting op rente en het wegvallen van het verdrag met de Amerikanen.

Winstgevende niches: pensionado’s

Die groei was mede te danken aan Curaçaose vindingrijkheid in het bedenken van winstgevende niches. De pensionadoregeling van 1989 bijvoorbeeld moest vermogende gepensioneerden en renteniers uit het buitenland aantrekken, door hen onder zekere voorwaarden een tarief inkomstenbelasting van 5 procent toe te kennen. Personen met uitzicht op een goed pensioen konden ook ontslag nemen, naar de Antillen verhuizen en daar hun pensioenrechten afkopen. De opbrengst viel dan onder dat lage tarief.

Deze pensionadoregeling was een succes. Talrijke bekende en vermogende Nederlanders, waaronder André van Duin, Kees Brusse en Albert Heijn, verhuisden in het echt of op papier naar de Antillen. Ook brachten veel Nederlanders hun persoonlijke pensioenvoorzieningen onder in Curaçaose offshore-vennootschappen. Dergelijke pensioen-bv’s kregen veel aandacht in de Nederlandse pers toen bleek dat de kersverse minister van Economische Zaken Hans Wijers er ook één had. Dat was pikant.

Hans Wijers (1994) | ANP

De regering vond pensionado-constructies oneigenlijk gebruik van de BRK. De Antillen wisten dat heel goed. Ze hadden met hun pensionadoregeling Nederland bewust uitgedaagd en beseften dat Nederland waarschijnlijk zou ingrijpen. Dat gebeurde ook. Den Haag introduceerde wetgeving die de afkoop van pensioenen bij naar het buitenland verplaatste pensioen-bv’s voortaan belastte met een heffing van 60 procent vennootschapsbelasting. Om het hele gat te dichten, moest de BRK worden aangepast. De onderhandelingen daarover liepen zo moeizaam dat de regering openlijk dreigde met opzegging van de BRK om de Antillen tot een akkoord te dwingen.

De Haagse onderhandelaars verwachtten dat de Antillen zouden zwichten

Deels was dat bluf. Volgens een ambtelijke notitie uit 1994 bood opzegging zeker voordelen, onder andere dat Nederland niet langer in OESO- en EU-verband aangesproken werd op de nauwe relaties met het Curaçaose belastingparadijs. Opzeggen was echter een uiterste middel, vanwege verwachte ‘heftige reacties’ van de financiële sector op deze aantasting van Nederland als vestigingsland voor financiële dienstverlening. Die vrees was niet onterecht. De Haagse onderhandelaars verwachtten echter dat de Antillen zouden zwichten: het opzeggen van de BRK was nóg schadelijker. De Antillen kozen inderdaad eieren voor hun geld. Ze stemden in met het aanpassen van de BRK en wijzigden de pensionadoregeling, waardoor er veel minder personen voor in aanmerking kwamen.

Den Haag lette dus goed op het eigen belang. De dividendroute werd zoveel mogelijk ontzien en de deelnemingsvrijstelling bleef ongewijzigd intact om de fiscale concurrentiepositie, de financiële sector en de belangen van grote ondernemingen niet te schaden. De pensionadoregeling werd aangepakt, omdat Nederland niet profiteerde van het belastingverlies dat opgestreken werd door de Antillen. Uiteindelijk stond de Nederlandse regering voor de keuze: de belangen van de Nederlandse fiscale industrie of de eigen belastinginkomsten. Het mag duidelijk zijn dat ze in dit geval koos voor de eigen inkomsten.

Geheimhouding als rode draad

Verdediging van de geheimhouding loopt als een rode draad door de geschiedenis van de Curaçaose offshore. Dat bleek bijvoorbeeld toen de Antillen zich begin jaren ’90 fel verzetten tegen de aandrang van Nederland om toe te treden tot een internationaal verdrag over uitwisseling van fiscale gegevens. Belastingadviseurs uit de offshoresector stelden dat ze bij ondertekening van dat verdrag hun klanten zouden aanraden naar de Kaaimaneilanden en de Bahama’s te vertrekken, omdat ze geen harde garanties meer konden geven voor de vertrouwelijkheid.

De Nederlandse minister van Koninkrijkszaken E. Hirsch Ballin verklaarde daarop dat offshorebedrijven niet massaal zouden verdwijnen: alleen de bedrijven die zich met illegale praktijken inlieten zouden vertrekken. Dat lokte een reactie uit van Chris Smeets, zoon van Anton Smeets en voorzitter van de raad van commissarissen van Citco. Hij betitelde Hirsch Ballin als een ‘studeerkamergeleerde’ die met dit verdrag de offshore-sector zou wegvagen.

Smeets vond het problematisch dat Hirsch Ballin meende dat er ‘per definitie een luchtje zit aan iedereen die vanwege het openbaar worden van zijn gegevens zijn kapitaal naar elders verhuist’. Dat was volgens Smeets een misvatting die ‘volkomen buiten de dagelijkse praktijk’ stond. Er waren volkomen respectabele redenen voor anonimiteit, zoals bij totalitaire regimes en oorlogsgeweld. Als voorbeeld uit zijn praktijk noemde Smeets het geval van een bankier uit Argentinië die weigerde naar de pijpen van het generaalsregime te dansen. ‘Die belandde voor vier jaar in de gevangenis maar had nog juist op tijd een deel van zijn privé-kapitaal bij ons onder weten te brengen. Na zijn gevangenschap kwam hij kijken of er nog iets van zijn twee ton over was. Dat was intussen aangegroeid tot een miljoen. Met dat geld kon hij zijn gezin vrijkopen uit Argentinië. Die man zijn vreugdetranen hebben zowat gaten in mijn bureau gebrand’, aldus Chris Smeets op 22 april 1993 in Amigoe.

Het dramatische verhaal over het slachtoffer van het Argentijnse regime is bij gebrek aan gegevens niet te controleren. De geschetste ‘hulp’ aan het junta-slachtoffer is echter zeker niet representatief voor de hele Curaçaose offshore-praktijk. Dat bleek bijvoorbeeld toen de Antilliaanse minister F. Tromp in 1970, net nadat Allende in Chili tot president was benoemd, verklaarde dat hij verwachtte dat op korte termijn vluchtkapitaal uit Chili naar de Antillen zou komen. Met andere woorden de ‘hulp’ strekte zich ook uit naar kapitaal dat zich onttrok aan de controle van democratisch gekozen regimes. Lees verder

Willemstad werd een maatje te klein

Vanaf medio jaren ’90 namen offshore-activiteiten zienderogen af. Daardoor begonnen de winstbelastinginkomsten voor de Curaçaose overheid sterk te dalen, met als gevolg sterk oplopende begrotingstekorten. In de jaren van stijgende winstbelastinginkomsten waren de overheidsuitgaven voor onder meer ambtenarensalarissen, sociale zaken en volksgezondheid sterk toegenomen.

Nu deze handel dreigt mis te lopen, zitten we met een grotesk opgezwollen overheidslichaam

De krimp zette ook de winstgevendheid van de Nederlandse bankvestigingen in Willemstad onder druk. Eén voor één beëindigden ze hun activiteiten. Ook voor de grote Curaçaose trustkantoren zoals Citco en Amicorp werd de offshore in Willemstad een maatje te klein. In de loop der jaren expandeerden ze daarom wereldwijd. Zo werd de vestiging van Citco in Nederland op den duur groter dan Citco Curaçao.

De Antilliaanse auteur Boeli van Leeuwen vatte de ironie van de krimp als volgt samen: ‘Uiteraard werd deze gouden regen beschouwd als monopoly-money, dat zomaar uit de lucht op onze speeltafel neerdwarrelde. (…) nu deze handel dreigt mis te lopen, zitten we met een grotesk opgezwollen overheidslichaam (…) Maar de manipulatoren (…) zijn zelf nu multimiljonairs die hun eigen offshore-apparaten en bankrekeningen elders ondergebracht hebben.’

Tijn van Beurden promoveerde onder supervisie van professor bedrijfsgeschiedenis Joost Jonker in juni 2018 op zijn proefschrift De Curaçaose offshore. Op basis van dat onderzoek schrijven zij voor Follow the Money een serie over belastingparadijs Curaçao.

Bron: Follow the Money

2 Reacties op “FTM | Zo zakte de zon in het tropisch belastingparadijs

  1. Tja, Haiti heeft nog tenminste een bevolking die weet wat werken en service is…. Het zal een lang proces zijn om ook deze rots zover te krijgen. Dus waarschijnlijk is de levensstandaard van Haiti wat te hoog gegrepen. Wellicht dat bereiken van het nivo van Somalie of Rwanda voorlopig een wat meer realistisch doel is ?

  2. Lang het spel kunnen meespelen maar uiteindelijk liggen we eruit.
    Geen Financiele bedrijven meer en straks geen olie meer.. Wat blijft erdan over?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *