Groene | De witte man op rooftocht

Invasies in de inheemse gebieden van Brazilië |
Marjon van Royen beeld Gabriel Uchida | Groene Amsterdammer

Een lid van het Uru-Eu-Wau-Wau-volk controleert zijn territorium op illegale landinnames en houtkap. Deelstaat Rondônia, Brazilië, april

Vanaf het moment dat hij zich kandidaat stelde voor het Braziliaanse presidentschap begon Jair Bolsonaro een hetzecampagne tegen de inheemse volken. Hij noemde indianen ‘parasieten’ en beloofde alle reservaten open te gooien voor mijn- en landbouw. Met gruwelijke gevolgen.

Natgeregende rode aarde onder een hoge Amazonehemel. Een paar langgerekte wolken in het oranje ochtendlicht. ‘Het hele scenario voor een oorlog ligt klaar’, zegt Gabriel Uchida terwijl hij de auto door diepe kuilen stuurt. ‘Het jachtseizoen is geopend.’ Een frons op zijn voorhoofd, tribale tattoos op armen en benen. Sinds een paar jaar wijdt de jonge fotograaf uit São Paulo zijn leven aan de indiaanse volken, hier in de westelijke Amazone.

Platgelegd, omgehakt regenwoud. Zo ver het oog reikt de grazende witte stippen van de speciaal voor de Amazone in elkaar gekloonde koeien. ‘Exquisiet Nelore-zaad’ prijzen bordjes langs de weg hun sperma aan. We rijden dan ook over BR-364, de duizenden kilometers lange weg die de militairen tijdens de dictatuur (1964-1985) dwars door dit deel van de Amazone aanlegden. De oorspronkelijke volken werden verdreven om plaats te maken voor het ‘economisch wonder’ dat de militairen van het gebied wilden maken. In totaal vermoordden ze meer dan achtduizend indianen. 25.000 indianen werden gemarteld. Niet omdat ze tegen de dictatuur in opstand kwamen, maar gewoon, omdat ze in de weg zaten.

Ik denk terug aan de getuigenissen voor de Braziliaanse waarheidscommissie. De uitgebluste ogen van de oude Urubú-chief die met zijn hele stam naar de speciale indianengevangenis Krenac was gedeporteerd. De vrouwen en kinderen werden er voor zijn ogen gemarteld, net zo lang tot ze zouden bekennen dat de Urubú een ‘opstand’ planden. Alleen: geen van hen verstond een woord Portugees. Tienduizenden andere indianen werden opgesloten vanwege ‘landloperij’. Niemand kreeg een proces. In de Krenac werden ze geïsoleerd en gedwongen kokende melk en daarna ijskoud water te drinken. Tot hun slokdarm kapot was en ze bloed opgaven. In haar rapport beschrijft de commissie ook hoe het leger indianen met pokken geïnfecteerde kleren en dekens gaf. Suiker werd giftig gemaakt. Uit vliegtuigen werd dynamiet gegooid en inheemse leiders werden voor de ogen van hun stam gekruisigd.

‘De militairen hebben indiaanse volken altijd als vijand beschouwd’, zegt Gabriel terwijl hij boven het gedreun van de sojavrachtwagens uit probeert te komen. ‘Daarom is het zo gevaarlijk wat er nu gebeurt.’ Bij een grote boerderij draaien we van de grote weg af en rijden over een onverharde hobbelweg. Urenlang hotsen door desolate leegte. Af en toe het eenzame silhouet van een verbrande boom.

Ik probeer mijn krantenknipsels terug te lezen. ‘Generaal Heleno: indiaanse gebieden Amazone bedreiging voor nationale soevereiniteit.’ Viersterrengeneraal Augusto Heleno is de machtige veiligheidschef van de in januari aangetreden regering-Bolsonaro. Ex-legerkapitein Bolsonaro heeft in zijn regering meer militairen gezet dan in alle regeringen van de militaire dictatuur. Het leger is ervan overtuigd dat ‘buitenlandse machten’ uit zijn op het ontvreemden van het grootste regenwoud ter wereld. Bolsonaro zelf beweerde dat de indiaanse gebieden, zoals hun reservaten hier heten, ‘autonome landen kunnen worden’. Dat zou in een richtlijn van de Verenigde Naties staan. Afgelopen februari leidde de militaire paranoia er al toe dat generaal Heleno aankondigde zijn veiligheidsdiensten in de katholieke kerk te laten infiltreren. In oktober heeft de paus in Rome een synode van bisschoppen belegd over de bescherming van de Amazone. ‘Ontoelaatbare inmenging in binnenlandse aangelegenheden’, bitste de generaal. ‘We zullen de synode neutraliseren.’

Gabriel zet de auto met een schok stil. Voor ons is een ondoordringbare muur van groen. ‘Duidelijker kan niet, hè’, grinnikt hij. ‘Hier begint het indiaanse gebied van het Uru-Eu-Wau-Wau-volk.’ De grens tussen de vernieling en het bos is vlijmscherp. Er zijn geen cijfers voor nodig om ook zo al te beseffen dat de indianen met hun reservaten de ware beschermers van het regenwoud zijn. Gabriel doet zijn fototoestel om en haalt een kapmes uit de auto. Hij legt een vinger tegen zijn lippen. Voorzichtig sluipt hij op het bos af. Hij speurt naar de grond. ‘Verse sporen’, fluistert hij. ‘Ze zijn er wéér geweest.’ Hij wenkt me het bos in.

Plotseling sta ik voor een brede strook omgehakte, kapotgezaagde, rondgesmeten bomen. Zoals Mozes de wateren van de Rode Zee scheidde, zo trekt hier een rechte streep verwoesting door het hoge oerwoud. ‘Twintig kilometer lang’, zegt Gabriel kortaf. ‘Een geplande invasie in het reservaat. Meteen de eerste week na het aantreden van Bolsonaro.’

Pas in het dorp van de Uru-Eu-Wau-Wau besef ik het gevaar. De ‘snelweg’ die invallers in hun reservaat hakten, loopt pal achter een verzameling hutten langs. Onder het palmdak van de open gemeenschapsruimte hurken de dorpsgenoten dicht bij elkaar. Ouderen met tatoeages op hun gezicht. Kinderen met kettingen van bevertanden om hun nek. Chief Aricán zit boven op de houten watertoren op de uitkijk. ‘De eerste keer kwamen ze met veertig, zestig mannen op motoren’, vertelt zijn neef, de krijger Ucá, zittend in een hangmat. ‘We hoorden motoren en schieten. Toen we gingen kijken verstopten we ons. Zij hebben geweren en pistolen. Wij hebben alleen pijl en boog.’ Aarzelend geeft hij toe dat ze bang waren. ‘Bang. Ja. Maar ook boos. Ze hakten erop los, van voor naar achter, met bijlen en motorzagen. Voorop liep senhor David met een groot wapen. We kennen hem. Hij woont vlak bij ons reservaat. Hij heeft veel grond en veel koeien. Hij schreeuwde dat ons land nu van de witte man is. Dat wij te lui zijn om grond te mogen hebben. Dat ze ons komen halen. President Bolsonaro zou het zelf op televisie hebben gezegd. David zei: nu is het moment van de witte man gekomen.’ Plotseling zwijgt hij. Er valt een zware stilte die alleen doorbroken wordt door het regelmatige geschraap van de oude matriarch van het dorp. Ze zit op haar hurken, met haar rug naar ons toe een veldje aardappelen te bewerken.

‘We slapen niet meer’, zegt een jonge vrouw na een tijdje. Ze heeft een baby op schoot en felle glanzende ogen. ‘We horen motorzagen, soms schieten. ’s Nachts hier vlakbij. Hun honden komen blaffend in het dorp. Vaak zien we de volgende morgen voetafdrukken. We zijn doodsbang. Ze hebben gezegd dat ze onze hutten met de kinderen zullen afbranden.’ De vrouw staat op en begint rond te lopen met haar baby op de heup. ‘De staat heeft gezegd dat ze ons beschermen. Maar dat doen ze niet.’ Ze schopt zachtjes naar een van de papegaaien die als felgroene huisdieren de hutten in en uit hippen.

Ze vertelt dat ze al maanden geen vlees meer hebben. ‘Het is te gevaarlijk voor onze krijgers om nog te gaan jagen.’ Ze knikt naar de vrouw met witte haren die inmiddels van haar veldje is opgestaan. Met boze gebaren legt ze een vuurplaats aan om aardappels te koken. Ostentatief met de rug naar ons toe. ‘Mijn oma leefde vroeger in het bos, voordat ze contact kregen met de witte man’, vertelt de vrouw. ‘Mijn oma zegt dat het leugens zijn dat we beschermd worden. Ze zegt dat het bewezen is dat de cirkel rond is. Zij en mijn opa willen terug het bos in.’

Dit is het leven van de Uru-Eu-Wau-Wau sinds het aantreden van de regering-Bolsonaro. ‘Er dreigt een bloedbad’, waarschuwde Amnesty International dat de stam vorige maand bezocht. Sinds Bolsonaro is het aantal invallen in de meer dan vijftig indiaanse gebieden van Brazilië met 150 procent gestegen, becijferde de Braziliaanse bisschoppenconferentie. Al vanaf het moment dat hij zich kandidaat stelde, begon Bolsonaro een hetzecampagne tegen de inheemse volken. ‘Zoveel grond voor zo weinig indianen! Ze zitten op onze rijkdommen’, herhaalde hij keer op keer. Hij noemde indianen ‘parasieten’ en vergeleek hen met ‘beesten in een dierentuin’. Hij beloofde alle reservaten open te gooien voor mijn- en landbouw. ‘Zo leren ze beschaving en rijkdom herkennen.’ Bolsonaro, die het schietgebaar als handelsmerk heeft, beloofde ook ‘gratis geweren’ aan boeren uit te delen. ‘Gratis’ werd het niet. Maar onlangs vaardigde hij een decreet uit waardoor boeren en grootgrondbezitters een vrijwel ongelimiteerd aantal wapens mogen kopen en bij zich dragen. Ook ondernemers en politici mogen wapens gaan dragen.

‘We horen motorzagen, soms schieten. We zijn doodsbang. Ze hebben gezegd dat ze onze hutten met de kinderen zullen afbranden’

‘Logisch dus’, zegt Gabriel, ‘dat lokale agrariërs, houtbedrijven en politici zich gerechtigd voelen om de indiaanse reservaten binnen te vallen.’ Alleen al in deze deelstaat telde zijn steunorganisatie Kanindé meer dan driehonderd invasies sinds het begin van het jaar. Hij begint te lachen. ‘Wel wrang als je bedenkt dat deze deelstaat Rondônia heet.’

Rondón was de naam van de excentrieke maarschalk die hier ooit het dikke oerwoud doorkruiste om een telegraaflijn naar Peru aan te leggen. Maarschalk Rondón bleek echter meer geïnteresseerd in de inheemse volken die hij tegenkwam dan in de details van zijn telegraafonderneming. Hij raakte gefascineerd door hun leefgewoonten en vond dat de oorspronkelijke bewoners tegen indringers beschermd moesten worden. Zo zette hij in 1910 de eerste moderne indianenbescherming op. ‘Sterf zo nodig, maar vermoord nooit een oorspronkelijke inwoner’, was zijn motto. De nieuwe staatsinstelling moest een einde maken aan de uitroeiing van volken en de gedwongen assimilatie door christelijke missionarissen. De stammen moesten beschermd worden en autonomie krijgen in hun eigen gebied, vond Rondón. Het land zou van de staat zijn, maar werd exclusief ter beschikking gesteld aan de inheemse volken. Alleen de volken zelf en de indianenbescherming zouden het recht hebben de gebieden te betreden. Dat was het idee achter de indianenbescherming Funai. Corruptie en militaire regimes gooiden roet in het eten. Pas na de dictatuur in 1988 werden de rechten van de inheemse volken grondwettelijk vastgelegd.

‘Wat er in de vroegere tijd gebeurde, gebeurt nu weer. We moeten onze pijl en boog weer opnemen’

Het eerste wat Bolsonaro deed op de allereerste dag van zijn aantreden was de erfenis van Rondón uit elkaar rukken. Hij hevelde de bevoegdheid van de Funai om de inheemse gebieden te demarkeren en toe te wijzen over naar het ministerie van Landbouw. ‘Alsof je de vos het kippenhok laat beheren’, schamperde het enige inheemse parlementslid.

Het overgebleven deel van de Funai schoof Bolsonaro door naar de nieuwe Pinksterkerk-minister Damares Alves voor ‘Gezinszaken’. De vrouw is een protestantse missionaris die geen kinderen kon krijgen, omdat ze jarenlang verkracht werd door medepastors van haar vaders kerk. Toch bleef ze bij die kerk: ‘Toen ik een eind aan mijn leven wilde maken, verscheen Jezus in de goiaba-boom waar ik uit wilde springen’, verklaarde ze. Ze houdt vol dat ‘God de vrouw heeft geschapen om de man te dienen’. Inmiddels lopen er 23 juridische onderzoeken tegen haar en haar kerkenmissie. Aanklacht: het ontvoeren en verhandelen van inheemse kinderen. Onlangs werd ontdekt dat Alves ook haar eigen indiaanse ‘adoptiedochter’ roofde. Het meisje werd als zesjarige door medemissionarissen bij haar stam weggehaald, onder het voorwendsel van een tandartsbehandeling in de stad. Het kind werd nooit teruggebracht. Ze werd illegaal door Alves en haar kerk opgevoed.

Het is deze minister die het budget van de Funai met negentig procent heeft gekort. ‘Ze hebben niet eens benzine voor hun auto’, vertelt Gabriel terwijl hij een spelletje met de kinderen speelt. Zijn eigen steunorganisatie springt soms bij om de paar overgebleven functionarissen in Rondônia met wat benzinegeld naar een vergadering te helpen. Maar de rol van ‘beschermer’ heeft de Funai al lang verloren.

Ongeveer dertig jaar geleden werd het eerste contact gelegd met de geïsoleerd levende Uru-Eu-Wau-Wau. De stam werd opgejaagd en uitgemoord door houthakkersbedrijven die dure bomen als mahonie uit hun leefgebied roofden. ‘In de vroegere tijd waren er veel meer van ons’, vertelt een oudere vrouw met een fijn lijnenpatroon van tatoeages op haar wangen in de gemeenschapsruimte. ‘We haalden alles in het bos. Er waren geen ziekten. Koorts was er wel. Maar je ging niet dood als je onze kruiden nam. We leefden allemaal samen. Toen kwam de witte man op ons jagen om ons dood te maken. Daarna jaagde de Funai op ons, om ons te beschermen.’

De stam was bijna uitgestorven toen ze zich lieten overtuigen. De Funai verspreidde de tweehonderd overgebleven Uru-Eu-Wau-Wau over zes dorpen en zette ze neer aan de rand van het reservaat. Zo konden de Funai-ambtenaren er gemakkelijk bij. In het dorp is dan ook een gezondheidspost. Onbemand, sinds Bolsonaro alle Cubaanse dokters in januari naar huis stuurde. Ook is er een inheemse school, een detonerend megagebouw, neergezet door een bevriend bouwbedrijf van de deelstaatsregering. In maart was de enige Funai-basis in het reservaat nog bemand door één functionaris. De basis werd door tweehonderd mannen op motoren aangevallen en in brand gestoken. Het reservaat heeft de omvang van anderhalf keer de Ardennen. Behalve de Uru-Eu-Wau-Wau leven er nog drie andere volken en drie geïsoleerde stammen in het gebied.

‘Wat er in de vroegere tijd gebeurde, gebeurt nu weer’, zegt een oude man die bij de getatoeëerde vrouw hoort. ‘Er is nu misschien een wet. Maar een wet is van papier. Papier schiet je weg, of steek je in brand. We moeten onze pijl en boog weer opnemen. Net als in de vroegere tijd.’

Het zijn de jongeren die een andere uitweg proberen te zoeken. Boven het koor van cicaden en kikkers uit klinkt die middag het geknetter van een naderende brommer. ‘Tangaia!’ Opgetogen rennen de kinderen op de jonge leider af. Hij is doodmoe. Al weer is hij naar de hoofdstad van Rondônia gereisd, een dag heen en een dag terug, om samen met andere jonge leiders bij het Openbaar Ministerie aangifte te doen van al weer een nieuwe invasie. Ze hebben de verwoesting stiekem op hun mobieltjes gefilmd. ‘Er zijn weer beloften gedaan’, zegt hij. ‘Weer brieven naar Brasilia geschreven.’ Hij haalt zijn schouders op. ‘We hebben eerlijk gezegd steeds minder hoop. Onze grootouders vochten met pijl en boog tegen de misdaden in het bos. Wij jongeren zoeken rechtvaardigheid zonder bloedvergieten. Maar het wordt steeds moeilijker.’

Eén keer, vertelt Tangaia, het was nog in februari, kwamen autoriteiten naar het reservaat. De nieuwe militaire leider van de Funai, de federale politie, het Openbaar Ministerie en afgevaardigden van de deelstaat. Dit leidde tot uitzetting van de landbezetters. Eén indringer werd gearresteerd. Tegen aanvoerder David werd een arrestatiebevel uitgevaardigd, maar hij ontvluchtte.‘Ze begrijpen niet dat wij niet alleen vechten voor het voortbestaan van ons volk, maar voor dat van de mensheid’, verzucht Tangaia. Aan het eind van de middag begeleidt hij ons terug naar de auto bij de scherpe bosrand van het reservaat. We staan voor het bord van de Funai dat de demarcatie aangeeft. Midden door de tekst – ‘BESCHERMD GEBIED Verboden toegang’ – zijn tientallen kogels geschoten.

‘Ik zoek David. David da Silva.’ Voorzichtig duw ik het hek open. Op het erf een hond, een waslijn en een grote hoop schroot. Een achterdochtig vrouwengezicht om de hoek van de keukendeur: ‘Wat wilt u?’ ‘Woont David da Silva hier soms?’ ‘Davíííííí’, roept de vrouw. ‘Bezoek!’ Verbijsterd zie ik een grote hoekige man achter het houten roze geverfde huisje vandaan komen. Dit is hem dus, senhor David, een van de aanvoerders van de bedreigingen en de landroof bij de Uru-Eu-Wau-Wau. Hij wordt al maanden door de politie gezocht, maar hij is gewoon thuis. Hij verstopt zich niet eens.

De man veegt zijn handen aan zijn broek af. De indianen? Wat wil ik dat hij daarover zegt? ‘Ze hebben de situatie helemaal aan zichzelf te danken.’ Hoe? ‘Ken je ze niet’, vraagt hij schamper. Nou hij wel. Hij kreeg ze hier zelfs over de vloer. ‘Drinken en elkaar tot moes slaan. Het enige wat ze kunnen.’ Gevaarlijk zijn ze. ‘Ze planten zo een mes in je hart.’ Zijn vrouw vertelt dat ze hier elke zondag café hield. Ze nodigt me uit aan de grote tafel in haar keuken. ‘Borrel, koffie?’ Ja natuurlijk schonk ze de indianen sterke drank. ‘Weet ik niets van, hoor’, lacht ze als ik haar eraan herinner dat drank verkopen aan indianen in Brazilië streng verboden is. ‘Ze doen het toch zelf?’ In elk geval wil ze die mensen niet meer hebben. ‘In het huis van de witte man gelden de regels van de witte man’, zegt meneer David. ‘Daarmee basta!’

Hij ontkent heftig iets met de invallen te maken te hebben. ‘Ik heb wel genoeg land.’ Maar hij begrijpt heel goed dat boeren hun geduld verliezen. ‘Wij werken ons de hele dag kapot. En zij? Alleen luieren. Terwijl er miljoenen mensen zijn die niks hebben maar wel willen werken.’ Nou en of is hij blij dat Bolsonaro heeft gewonnen. Kijk, dit is zijn persoonlijke gedachte, hè. Als de indianen echt een stukje land zouden bewerken, mogen ze dat houden van hem. ‘Maar de rest van hun gebied moet eerlijk verdeeld worden onder de hard werkende mensen van dit land.’ Zijn lach ontbloot een zwart gebit. ‘Hier is dat in elk geval niet aan de hand’, zegt hij. ‘Wist u dat de indianen hier maar dóen alsof ze in die zes dorpen wonen? Ze zitten gewoon in het oerwoud illegaal mahonie te kappen. Ik zweer het u.’

Een tropische regenbui slaat op het golfplaten dak van het roze huisje. Ik denk terug aan die andere agressor, de zwarte man die ik de vorige dag sprak. Met een elektronische enkelband om in een lekkend huisje aan de rand van de provinciestad Ariquemes. Pannen op de vloer om het regenwater op te vangen. Jarenlang was Nelson de leider van de landbezetting en het geweld in het noorden van het reservaat. Nu is hij ervoor veroordeeld. Ook de 72-jarige Nelson gelooft in fabels. Hij is er serieus van overtuigd dat de Uru-Eu-Wau-Wau speciaal naar Rondônia zijn ‘geïmporteerd’ om ‘eerlijke kolonisten’ als hemzelf het leven zuur te maken. ‘Ik ging hier naartoe omdat de militairen gratis land beloofden. Toen ik aankwam was er geen gratis land meer. Dus ik werkte als dagloner. Tot ik een vrachtwagen kon kopen om mahoniehout uit het oerwoud te halen.’

‘Mijn oma zegt dat ze terug naar het oerwoud wil. Ze zegt dat ze niet meer in de buurt van de witte man wil leven’

Ik bedenk dat Nelson dus een van die ‘witte mannen’ was die de Uru-Eu-Wau-Wau in het bos opjaagden en vermoordden. Hij moet ze gezien hebben, op z’n minst van hen gehoord. Toch blijft hij bij zijn indianenverhaal: ‘Na de dictatuur heeft een parlementslid drie van die mensen uit het zuiden van Brazilië gehaald en hier neergezet’, zegt hij. Waarom? ‘Omdat hij land wilde en indianen een mooi excuus zijn.’ Nelson haalt een doos papieren onder zijn bed vandaan. Uit de officiële eigendomsakten maak ik op dat hij en de meer dan vijftig andere boeren die hij aanvoerde duizenden hectare land in het indianenreservaat hebben gekocht. Zwendel dus, waar ambtenaren en politici bij betrokken moeten zijn geweest. Indiaans gebied mag helemaal niet worden verkocht. Maar Nelson draait het om en zegt: ‘Eén ding weet ik zeker: het reservaat bestaat niet. Er waren hier geen indianen. De Uru-Eu-Wau-Wau zijn een uitvinding van politici die zich willen verrijken.’

Nelson noemt zichzelf openlijk pistoleiro, huurmoordenaar: ‘De Funai heeft toch ook pistolen?’ Hij is voor slaven- en kinderarbeid: ‘De fout is alleen dat ze het zo nóemen.’ En hij is tegen democratie: ‘Als dat betekent dat je kloten-parlementariërs hebt.’ Toch is hij, net als David in zijn roze huisje, slechts een lage schakel in een machtige keten van mensen die de inheemse volken en de Amazone als long van de wereld moedwillig aan het vernietigen zijn. Nelson geeft uiteindelijk toe dat hij gefinancierd en geholpen wordt door dezelfde regionale en nationale parlementsleden die hij zo haat. Ook David geeft indirect toe dat hij in opdracht werkt. ‘Wij kleintjes durven daar natuurlijk niet zonder steun naar binnen’, versprak hij zich toen ik hem vroeg of de invallen in het reservaat georganiseerd waren. ‘Maar als je gedekt wordt door de groten en de politiek is het een ander verhaal.’

Dat de hele Amazone nu op een ‘kantelpunt’ staat weten deze ongeletterde mannen niet. Sinds januari verdwijnt de grootste zuurstofopslag op aarde met een snelheid van twintig voetbalvelden per uur. David en Nelson weten niet dat meer dan twintig procent van de Amazone ontbost is, tegen slechts twee procent in de indiaanse reservaten. Ze weten ook niet dat na jaren van internationale lof voor het terugdringen van de ontbossing door de linkse president Lula de vernietiging van het regenwoud nu is verviervoudigd. Duizenden plant- en diersoorten verdwijnen uit het gebied met de grootste biodiversiteit ter wereld. Ook hebben ze niet meegekregen dat Global Forest Watch vorig jaar Brazilië uitriep tot de grootste vernietiger ter aarde. Zoals ze geen idee hebben hoe de laatste cijfers aantonen dat de Amazone razendsnel afstormt op zijn tipping point van dertig procent ontbossing, waarna de klimaatramp onafwendbaar is.

Wie dat wél weet is de regering-Bolsonaro. Maar ter wille van landbouw- en mijnenlobby’s plus het eigen wereldbeeld ontkennen ze klimaatverandering en sinds kort zelfs de gegevens van hun eigen satellietsysteem. In het eerste trimester van dit jaar registreerde het Braziliaanse ruimte-instituut Inpe een nooit eerder vertoonde explosie van ontbossing. ‘Klopt niet’, zei de milieuminister die Bolsonaro als schaamlap neerzette. De man is nooit in de Amazone geweest en vindt regenwoud een ‘secundair onderwerp’. ‘Onzin’, zei ook generaal Heleno. ‘Als die gegevens kloppen, zou er geen boom meer in de Amazone staan.’ De veiligheidschef steunt nu het initiatief van de milieuminister om een privé-instituut op te tuigen dat ‘alternatieve feiten’ over ontbossing geeft.

In januari beschoten ‘witte mannen’ het demarcatiebord van een indianenreservaat

In Monte Negro is de spanning om te snijden. Het heeft de modderige rechte straten zonder groen van elk Amazonestadje. Veel landbouwwinkels, morsige barretjes en liefst twee houtzagerijen. Dicht. Het is zaterdagmiddag. ‘Waar halen ze hun hout vandaan als er in de wijde omtrek geen boom te bekennen valt?’ probeer ik tegen de barman die vette worsten roostert. Hij reageert als door een wesp gestoken.

Indianenleider Tangaio had verteld dat het in Monte Negro vol moet zitten met illegale houthakkers en landbezetters. Zelf durft hij er niet naartoe. ‘Wil je me dood hebben?’ Het stadje ligt niet ver van zijn reservaat, maar bij een deel waar geen inheems dorp is. Er zijn berichten dat daar vanuit Monte Negro op grote schaal wordt binnengevallen. Samen met taxichauffeur Anderson spreek ik elke levende ziel aan die we tegenkomen. Het is of de maffiose zwijgplicht als een kap over de stad is getrokken. ‘Probeer het eens bij bar do Negão’ – de ‘bar van de grote neger’ – adviseert een vriendelijk winkelmeisje ten slotte.

Het is er gezelliger dan elders. Toch blijven ook hier de kaken stijf op elkaar. ‘Wil je met iemand praten?’ Ik heb het al bijna opgegeven als een jongen me aanstoot. ‘Kijk daar, praat met hem.’ Dit moet de Negão zijn. Geen twijfel mogelijk. Het is alsof ik de oude auto die voor de bar stopt onder zijn gewicht hoor janken. Met een buik of hij op het punt staat een zesling te baren ligt hij half achterover op de voorbank. ‘Praten? Ja, hoor. Wil ik wel.’ Zijn bulderende lach doet de hele auto schudden. ‘Maar laat me eerst even dat varken in mijn achterbak wegbrengen.’ Terwijl hij wegrijdt begrijp ik dat het schudden niet alleen door zijn lach komt.

‘Kijk, hier. Eigendomsbewijs.’ Met een dreun klapt hij even later het papier op zijn gifgroene toonbank. ‘Ik zeg maar zo, als het vals was, hadden ze de mensen daar al lang weggehaald. Toch?’ Volgens de bareigenaar zijn er al tientallen percelen verkocht. Nee, hij neemt me er niet mee naartoe. ‘Ben je gek? Levensgevaarlijk.’ Een paar honderd mannen met wapens bestrijden elkaar daar nu onderling, vertelt hij. Af en toe valt de federale politie in. ‘Ik stap daar alleen naar binnen als deze regering heeft getekend dat ik dat mag en ze mij begeleiden. En met deze regering gaat dat gebeuren. Let op mijn woorden.’ Ik overleg met Anderson, de aardige taxichauffeur. Ik wil die illegale landbezetting toch graag zien. Opeens slaat zijn houding om. ‘Nee’, blaft hij. ‘Ik ga niet. Ik ben van hier en jij snapt er niets van. Het gaat om land, dus om bloed. Het leven is hier niets waard als het om land gaat. Ik ga niet spelen met de dood.’

Als een kat sluipt hij over de smalle boomstam hoog boven de rivier. Hij springt over lianen en slingert tussen de bomen. In zijn hand pijl en boog en op zijn hoofd een gele verentooi. Er hangt ook een karabijn over zijn schouder, een roestig geval uit het jaar nul. Tangaia heeft me die ochtend meegenomen naar het dorp van zijn neef. Awu is een krijger. Eenzaam op weg naar de enorme ontbossing die hij onlangs op nog geen vijf kilometer van zijn dorp ontdekte. Als hij praat, praat hij zachtjes. ‘Het hele gebied was al met cijfers in kavels verdeeld’, fluistert Awu. ‘Voor ons een teken dat ze het land al aan het verkopen zijn.’ Terwijl zijn veren in het bos voor me uit dansen besef ik hoe kwetsbaar deze stam is. Wie verdedigt hen? Wat als Awu straks op gewapende indringers stuit?

Ik denk aan het filmpje dat ik zag over het Munduruku-volk aan de oostkant van de Amazone. In zes kano’s beladen met veertig beschilderde krijgers voeren ze de rivier op om illegale gouddelvers uit hun gebied te gooien. De rivier had de kleur en het schuim van een cappuccino vanwege het gif dat mijnwerkers gebruiken. Het dorp, ooit een waakpost van de Funai, was omgetoverd tot een maanlandschap. Moedig stapten de krijgers op de bezetters af. ‘Ik wil dat jullie verdwijnen’, zei de chief. Het leidde tot niets. De krijgers moesten omkeren en de Funai deed niets: ‘We hebben geen berichten van intense verwoesting.’ Zelfs de illegale landingsbaan in het reservaat werd niet aangepakt. En de Munduruku zijn met twaalfduizend mensen, de Uru-Eu-Wau-Wau met tweehonderd.

Twee dagen na het bezoek aan zijn neef kom ik Tangaia weer tegen, vermoeider dan ooit, in een zaal vol verentooien en beschilderde gezichten. Afvaardigingen van alle inheemse volken uit alle 23 reservaten van Rondônia zijn voor een bijeenkomst naar de hoofdstad gekomen. Vanaf het moment dat Bolsonaro aantrad, zijn alle reservaten massaal binnengevallen. ‘Geen enkele uitzondering’, bevestigt fotograaf Gabriel. ‘En dat was het regenseizoen, hè. Het droge seizoen, goed voor het afbranden, gaat nu pas beginnen.’

Een leider van het Karitiana-volk vertelt hoe ze bulldozers vonden en onklaar maakten. Het Cinta-Larga-volk vertelt over vlotten en sojaboeren in hun reservaat. Dan ploft Tangaia naast me neer. We hebben het over de laatste parel van generaal Heleno. Hij zei dat de Amazone ‘uitsluitend het erfgoed van Brazilië is’. Niet van indianen en al helemaal niet van de mensheid. ‘Het grootste regenwoud ter wereld beheren is onze zaak. We zullen het ten bate van Brazilië gebruiken. Buitenlanders moeten ophouden zich ermee te bemoeien.’

Tangaia kijkt mat als ik hem vertel dat ik in zijn dorp de grote littekens op de rug van de oude vrouw die aardappels kookte heb gezien. Plotseling tilde ze haar T-shirt op. Haar kleindochter vertaalde: ‘Van de kogels van de eerste witte man die ik ooit tegenkwam. Ik was nog kind. Alleen ik en de man waaraan ik beloofd was konden vluchten. Mijn vader en moeder en mijn hele stam zijn in het bos vermoord.’ Daarop sleepte ze met heftige gebaren een stoel naar het vuur en begon hard en klikkend te praten. ‘Mijn oma zegt dat ze terug naar het oerwoud wil’, vertaalde de kleindochter. ‘Ze zegt dat ze niet meer in de buurt van de witte man wil leven.’

Tangaia knikt. ‘Ik weet het. Maar wij jongeren zijn in twee culturen geboren. Wij willen ook naar school en studeren. Voor mijn oma en opa is teruggaan in de tijd misschien goed. Voor ons is het geen optie. Alleen leven van de jacht en medicijnen uit het bos kan voor ons niet meer.’ Hij strijkt over zijn gezicht. ‘Wij willen onze rechten verdedigen. Als het moet verzamelen we ons allemaal en vechten we, al wordt het een vreselijk bloedbad.’

Opeens is er opschudding. Er is een bericht gekomen dat de politie de universiteit zou hebben bestormd. Daar was de bijeenkomst aanvankelijk gepland. De adrenaline golft door de gangen. Beschilderde krijgers rapen speren, pijlen en stokken bij elkaar en rennen naar buiten. Ook vrouwen smeren krijgskleuren op. Binnen een paar minuten is het hele gebouw leeg en iedereen op weg naar de universiteit.

Bron: De Groene Amsterdammer

2 Reacties op “Groene | De witte man op rooftocht

  1. ericlapas

    De witte man op rooftocht, vertel ons wat, al onze goud is door de witte man gestolen en onze voorouders, de indianen zijn achtergebleven met waardeloze kraaltjes en spiegels.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *