KRR | Waarom Koninkrijksrelaties.nu buigt voor de dreiging van een schadeclaim

Door Rene Zwart | Koninkrijksrelaties.nu

Cartoonist Zohoré maakte deze cartoon in opdracht van Unesco ter gelegenheid van de Internationale Dag voor Persvrijheid

Op 18 maart heeft Koninkrijksrelaties.Nu een artikel gepubliceerd onder de kop ‘Uitgelekte stukken roepen veel vragen op over voor Bonaire nadelige gronddeal van BIA met Dabboussi Real Estate’. Van de advocaat van zakenman Mohamad Dabboussi, mr. Chris de Bres van HBN Law, heeft de redactie een uitgebreide reactie ontvangen (klik hier om deze te lezen).

De raadsman verwijt Koninkrijksrelaties.Nu een ‘onzorgvuldige en onrechtmatige handelwijze’ jegens Dabboussi die, zo veronderstelt mr. De Bres, daarom recht heeft op ‘een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding wegens het schaden van eer en goede naam’. Dabboussi is echter, vervolgt zijn raadsman, bereid zijn eis te laten vallen indien het artikel wordt verwijderd en ‘een mededeling wordt geplaatst waarin u uitlegt dat u het artikel heeft verwijderd omdat dit was gebaseerd op onjuiste feiten en onvoldoende onderzoek’.

Hoewel de redactie van mening is dat het artikel juist zeer zorgvuldig en na grondig onderzoek tot stand is gekomen en bovendien gestaafd wordt door alle officiële bij het artikel afgebeelde documenten is besloten aan de sommatie van mr. De Bres gehoor te geven, maar alleen omdat de uitgever van Koninkrijksrelaties.Nu – anders dan de cliënt van mr. De Bres – niet de financiële middelen heeft een advocaat te betalen om in een rechtszaak korte metten te maken met zijn claim die gepaard gaat met het dreigement van ‘een zeer forse dwangsom’ en de aankondiging de vermeende schade op de uitgevers in privé te verhalen.

Dat media die actief zijn in het Caribisch deel van het Koninkrijk zich geen dure juridische bijstand kunnen veroorloven weten advocaten. Daarom is een brief waarin op intimiderende toon met dwangsommen en schadevergoedingen wordt gedreigd snel geschreven. Het levert de advocaat in kwestie een gemakkelijk verdiend honorarium op en het is effectief, want er wordt snel ingebonden.

Het is een kwalijke praktijk. Met regelmaat wordt het Caribische media verweten niet aan onderzoeksjournalistiek te doen en te weinig te schrijven over misstanden; onlangs nog in een uitzending voor de Nederlandse radio en eerder al eens in een rapport van Transparency International. Neem het die media eens kwalijk dat ze – zoals Koninkrijksrelaties.Nu in dit geval – kiezen voor hun voortbestaan in plaats hun gelijk te halen bij de rechter met als gevolg het salaris van hun journalisten een maandje te moeten overslaan.

De consequentie is dat de persvrijheid onder druk staat. Koninkrijksrelaties.Nu heeft gemeend een maatschappelijk belang te dienen door, onderbouwd met tot nu toe verborgen gebleven documenten, te berichten over de handelwijze van de overheid bij de totstandkoming van een grondtransactie. Als een redactie op grond daarvan al door een advocaat met de rug tegen de muur wordt gezet, wat moet een journalist vrezen als hij/zij grote misstanden aan de kaak stelt?

De redactie van Koninkrijksrelaties.Nu is er niet trots op te buigen voor het dreigement van een schadeclaim, maar doet niet nadat eerst mr. De Bres het antwoord krijgt waar hij en zijn cliënt Dabboussi recht hebben:

Antwoord aan mr. De Bres

Geachte heer De Bres,

Het kan verkeren. Ik kan mij nog goed herinneren hoe uw kantoor op Curaçao mijn krant te vuur en te zwaard verdedigde als er weer een door een al dan niet louche zakenman gestuurde advocaat een aanslag meende te moeten plegen op de persvrijheid door met hoge dwangsommen en schadeclaims te dreigen. En nu doet u precies wat uw toenmalige collega’s gepassioneerd en succesvol bestreden. Mede dankzij hen hebben wij in die tijd overigens geen enkele rectificatie hoeven te plaatsen. Maar dat terzijde.

Hoewel uw brief van heden d.d. 22 maart 2019 op zijn juridische merites beschouwd van een nogal armetierig niveau is, neem ik elke lezer die de moeite neemt ons te schrijven serieus. Soms heeft een briefschrijver in zijn kritiek op onze berichtgeving het gelijk aan zijn zijde, meestal gaat het echter om een verschil van opvatting of smaak en af en toe is er sprake een partij die het niet uitkomt in de schijnwerpers te worden geplaatst.

Uw brief bevat nogal wat feitelijke onjuistheden die simpel te voorkomen waren geweest. Kennelijk heeft u dat nodig om het gebrek aan onderbouwing van uw stelling ‘u schetst een onjuist en misleidend beeld’ te maskeren. Laten we uw brief eens nalopen.

1) U stelt dat wij ons hebben laten leiden door een partij met wie uw cliënte in een rechtszaak is verwikkeld. Een bewering die voor de volle 100 procent aan uw fantasie is ontsproten. Maar het journalistieke bloed kruipt waar het niet gaan kan en daarom danken wij u voor de tip dat er een rechtszaak tegen uw cliënte loopt.

2) U stelt dat wij het beginsel van hoor en wederhoor niet hebben toegepast. U kunt dat niet weten tenzij u strafbare feiten hebt begaan door onze gesprekken en correspondentie ongeoorloofd te tappen.

3) U stelt dat het onze bedoeling was om kort voor de verkiezingen een sensationeel artikel te publiceren. Uw bewering is onjuist, maar wel interessant: u heeft kennelijk zelf reden een verband te leggen met de verkiezingen. Wat weet u (nog) meer dan wij?

4) U stelt dat wij uw cliënte niet de gelegenheid hebben geboden te reageren. Dat klopt en daar hebben wij goede redenen voor. Het bewuste artikel gaat niet over uw cliënte en zelfs niet over BIA NV, maar over de rol van de eilandelijke overheid bij de totstandkoming van een grondtransactie. Dat uw cliënte in het bericht figureert komt louter voort uit het feit dat zij de wederpartij was. Het zou nogal potsierlijk zijn geweest als wij uw cliënte niet hadden opgevoerd aangezien heel Bonaire al jaren van haar betrokkenheid op de hoogte is en bovendien in de door ons gepubliceerde documenten terug te vinden is. Wij hebben er bewust voor gekozen ons niet te beperken tot het vermelden van de initialen van uw cliënte, dát zou haar pas in de verdachtenbank hebben geplaatst.

5) U stelt dat het artikel ‘zware aantijgingen’ bevat, maar laat onvermeld tegen wie. Logisch, want het artikel bevat in het geheel geen ‘zware aantijgingen’ en al helemaal niet tegen uw cliënte.

6) U stelt dat de publicatie ‘onrechtmatig’ is jegens uw cliënte, maar gelooft daar kennelijk zelf ook niet in, gegeven het feit dat u een onderbouwing achterwege laat.

7) U schrijft: ‘Uw artikel begint met de stelling dat volgens niet nader genoemde bronnen sprake zou zijn van een strafrechtelijk onderzoek naar de transactie’ en verbindt daaraan de conclusie: ‘die stelling berust nergens op’. Om te beginnen: hier is geen sprake van een stelling, maar van een feit. Dat dit feit uw cliënte onwelgevallig is mag zo zijn, maar om met uw woorden te spreken: uw conclusie slaat nergens op.

8) U verwijst naar de passage waarin de Hoofdofficier van Justitie wordt geciteerd. U geeft – kennelijk omdat dat beter in uw straatje past – op nogal doorzichtige wijze een feitelijk onjuiste uitleg aan diens citaat. De HvJ heeft namelijk niet gezegd dat er van een onderzoek geen sprake zou zijn.

9) U stelt dat wij ‘dit punt uitsluitend vermeld hebben om meer sensatie te creëren’. Dat is bijzonder: eerst verwijt u ons geen hoor en wederhoor te hebben toegepast, maar dat wij informatie checken door de meest betrokken partij te raadplegen wrijft u ons dat aan.

10) U stelt dat het genereren van inkomsten uit abonnementen en advertenties ‘nimmer een excuus voor smaad en laster kan zijn, zeker niet als u zich voordoet als serieuze journalisten’. Vergeef het ons als wij het niet met u eens zijn. Wij zijn namelijk de mening toegedaan dat ook degenen die zich niet voordoen als serieuze journalisten en überhaupt iedere burger zich niet schuldig zou moeten maken aan smaad en laster.

11) U stelt dat de aanduiding ‘een van de commercieel waardevolste stukken grond op Bonaire’ nergens op berust. Uw onderbouwing: ‘de commercieel meest waardevolle grond op Bonaire bevindt zich aan de kust en in het winkel/uitgaanscentrum van Kralendijk.’ U heeft helemaal gelijk, alleen deugt uw conclusie niet. Wij hebben immers niet geschreven dat het om ‘de commercieel meest waardevolle grond’ ging, maar zoals u zelf citeert: Een van de waardevolste stukken grond’, daarmee niet uitsluitend dat er meer en misschien nog wel waardevollere locaties zijn.

12) U stelt dat de passage dat sprake is van een ‘onwaarschijnlijk lage prijs’ nergens op is gebaseerd en onjuist is. Dat is uw, kennelijk door het belang van uw cliënte ingegeven perceptie die wij hem overigens in dit vrije land niet ontzeggen. Voor het overige verwijzen wij gemakshalve naar de opmerking van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dat de eilandelijke overheid van Bonaire moet ophouden met ‘terreinen weg te geven’. Uw verhandeling over het beleid van het OBL omtrent uitgifte van erfpacht, treft overigens geen doel. Overheidsnv’s staat het vrij bij het afstoten of in gebruik geven van bezittingen een voor hun bedrijfsresultaat zo gunstig mogelijke voorwaarden te bedingen.

13) U stelt dat de passage dat de eilandelijke overheid ‘zonder enig inzicht in de plannen’ goedkeuring heeft gegeven aan de transactie ‘volledig los staat van de realiteit’. Vervolgens haalt u uw eigen conclusie onderuit door te bevestigen dat de overheid niet meer wist dan dat er een ‘General Aviation and Tourist Service Center’ zou worden gebouwd. U kunt ook niet anders, want in alle documenten die hebben geleid tot het passeren van de notariële akte is geen enkele inhoudelijke informatie over het project geboden. Sterker nog, het gebrek aan informatie wordt zeer nadrukkelijk in de stukken gememoreerd. Er zullen maar weinig openbare besturen zijn die een cruciaal stuk grond afstaan zonder inzage te hebben in een businessplan, bouwtekeningen en de kredietwaardigheid van de wederpartij.

14) U stelt dat de ontwikkeling van Flamingo Airport niet wordt geschaad door het project van uw cliënte. Laten we hopen dat u gelijk heeft, maar vooralsnog is dat niet meer dan een veronderstelling. Feit is dat de diensten die uw cliënte (naar moet worden aangenomen) in haar pand gaat huisvesten ook hadden kunnen bijdragen aan een gezonde bedrijfseconomische exploitatie van de (te vernieuwen) terminal van BIA. U noemt het vermelden van dit gegeven ‘tendentieus’. Zoals eerder opgemerkt: we kunnen ons gelukkig prijzen in een land te leven waar het een ieder vrij staat zijn eigen opvattingen te bezigen, maar de kwalificatie ‘tendentieus’ komt ons toch lichtelijk overspannen voor.

15) U stelt dat de feitelijke constatering dat de transactie in opvallend grote haast tot stand is gekomen ‘nergens op berust’. Kennelijk heeft u niet het gehele artikel gelezen waarin de totstandkoming stap voor stap met vermelding van data en hier en daar zelfs het uur van de dag is gereconstrueerd. Ter bewijsvoering is in het artikel ook een groot aantal officiële documenten afgebeeld die het tijdpad bevestigen. Dat uw cliënte, zoals u beweert, van mening is dat de besluitvorming in deze ‘juist veel langzamer is verlopen dan bij een zakelijke transactie mag worden verwacht’ getuigt er van dat uw cliënte niet vertrouwd is met de zorgvuldigheid die goed openbaar bestuur vereist.

16) U stelt dat wij beweerd zouden hebben dat het algemeen belang ondergeschikt is gemaakt aan dat van een ondernemer. Persoonlijk zijn wij daar, de stukken kennende, van overtuigd, maar wat wij vinden is niet relevant. Daarom hebben we ons beperkt tot de opmerking dat deze stukken vragen oproepen en niet, zoals u suggereert, hebben gesteld dat dit ook feitelijk het geval is.

Uw al dan niet bewuste misinterpretatie van de feiten, het strooien met niet onderbouwde suggesties, het selectief/onvolledig citeren en het presenteren van door de belangen van uw cliënte ingegeven meningen als feit maakten het onvermijdelijk dat uw samenvatting niet adequaat is. Sterker nog, u voegt er nog wat ‘alternatieve feiten’ aan toe.

18) U stelt dat wij ons ‘voor het karretje hebben laten spannen’ van een concurrent van uw cliënte. U stelt voorts dat een niet nader door u aangeduide partij ‘grove onwaarheden’ over uw cliënte verspreidt (wij nemen aan dat u deze met gezwinde spoed voor het gerecht heeft gesleept) en dat wij deze ‘klakkeloos’ hebben overgenomen. Als bedenker van dit soort complottheorieën wacht u wellicht een grotere toekomst als auteur van thrillers dan in de advocatuur. Wij hebben werkelijk geen idee wie de door u bedoelde partij is, maar houden ons aanbevolen voor naam en adres. Ook ontvangen wij graag van u het verzoekschrift dat bij de rechtbank tegen uw cliënte is ingebracht en – in het kader van hoor en wederhoor – uw verweerschrift.

19) U stelt dat de uw cliënte in de publicatie zware verwijten worden gemaakt. Ook dat zuigt u uit uw grote duim. Nergens, maar dan ook nergens wordt uw cliënte iets verweten. Sterker nog, menig lezer zal tot de conclusie zijn gekomen dat uw cliënte in deze een groot zakelijk succes heeft geboekt.

20) U stelt dat het artikel niet is gebaseerd op feiten. Tja, als u ondertekende brieven, een taxatierapport, aandeelhoudersbesluiten, volmachten, een MoU en een notariële akte niet als feiten erkent blijft er weinig houvast in deze wereld over.

21) U stelt dat wij ‘zonder enige vorm van onderzoek en zonder enige vorm van hoor en wederhoor’ hebben gepubliceerd. Hoe weet u dat? Heeft u ons afgeluisterd, getapt of laten schaduwen? Wij nemen aan dat u zo’n beschuldiging niet uit zonder over bewijzen te beschikken. We nodigen u bij deze uit deze te overleggen. Misschien kunt u dan meteen ook de bewijzen voor uw andere naar onze bescheiden mening ongefundeerde aantijgingen meesturen.

22) U stelt dat streven naar een ‘evenwichtig’ artikel ons kennelijk te veel moeite was. Laten wij nu geen andere dagbesteding hebben dan het schrijven van artikelen. Alleen al om te voorkomen dat we de dag in volstrekte ledigheid doorbrengen steken we juist behoorlijk wat tijd in ons spitwerk, bijvoorbeeld door op zoek te gaan naar interessante documenten zoals die over de grondtransactie van BIA met uw cliënte.

23) U stelt dat wij ‘onzorgvuldig en onrechtmatig’ hebben gehandeld jegens uw cliënte die, naar u veronderstelt, recht zou hebben op een ‘naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding wegens het schaden van haar eer en goede naam’. Wij zouden het zeer op prijs stellen als u uw stelling van enige onderbouwing kunt voorzien, bijvoorbeeld: Waarom is sprake van onzorgvuldigheid en onrechtmatigheid? En: Op welke manier is de eer en goede naam van uw cliënte geschaad door een artikel over het handelen van de overheid waarin hij slechts in een bijrol figureert zonder dat hem ook maar in de verste verten iets onoorbaars wordt toegedicht?

23) U kondigt aan uw vorderingen in privé tot ons te richten. Dat is uiteraard aan u, maar uw verklaring van het waarom duidt erop dat u zich ook op dit punt niet de moeite hebt getroost zorgvuldig onderzoek te doen. Anders had u niet alweer de plank misgeslagen met uw kinderlijk eenvoudig te weerleggen bewering dat ‘uw onderneming kennelijk niet in de vorm van een rechtspersoon wordt gedreven’.

24) U stelt dat uw cliënte bereid is de eis tot vergoeding te laten vallen. Dat lijkt fideel, maar u vraagt ons wel om een tegenprestatie zoals dat in het zakenleven wel vaker gaat: voor wat hoort wat. Wij stellen vast dat uw voorstel wel erg eenzijdig in het voordeel van uw cliënte is.

In mijn inmiddels 45 jaar lange loopbaan heb ik wel vaker intimiderende post van advocaten ontvangen zonder dat dit ooit tot een rectificatie heeft geleid, de ene keer namens een zakenman die zich aangesproken voelde, de andere keer namens een crimineel en soms ook uit naam van een criminele zakenman. Dat kon u niet weten dus neem ik het u niet kwalijk dat u met uw brief hebt geprobeerd indruk te maken, maar die moeite kunt u zich in het vervolg besparen.

Zoals u – als u eerlijk bent tegenover uw cliënte – ook heel goed weet dat een kort geding en een bodemprocedure nog kanslozer zijn dan de rechtszaak die door een concurrent tegen uw cliënte is aangespannen naar uw zeggen kansloos is.

Hoewel het verleidelijk is om het in het belang van de persvrijheid – die juist in het Caribisch deel van het Koninkrijk wel een steuntje verdient – tot een vonnis te laten komen hebben wij om ons moverende redenen besloten uw wens en die van uw cliënte in vervulling te laten gaan.

Met vriendelijke groeten,

René Zwart

Koninkrijksrelaties.Nu

Aanleiding voor de klacht

Aanleiding voor de klacht van ondernemer Mohamad Dabboussi tegen Koninkrijksrelaties.Nu is het (inmiddels verwijderde) artikel over de totstandkoming van een grondtransactie van overheidsnv Bonaire International Airport met Dabboussi Real Estate NV voor de bouw van een businesscenter tegenover de terminal van het vliegveld.

Dat artikel was gebaseerd op vertrouwelijke, niet eerder gepubliceerde documenten zoals correspondentie tussen Dabboussi, toenmalig BIA-directeur Leslie Laplace en het Bestuurscollege, alsmede andere stukken uit het dossier zoals het taxatierapport, de Memorandum of Understanding, aandeelhoudersbesluiten, een notariële akte en machtigingen:

Feitenrelaas

In het voorjaar van 2014 geeft general-manager Mohamad Dabboussi van Dabboussi Real Estate NV (DRE) in een gesprek met statutair directeur Leslie Laplace van Bonaire International Airport NV (BIA) blijk van zijn belangstelling voor een terrein dat eigendom is van de luchthaven. Op 21 mei 2014 bevestigt de zakenman het gesprek in een brief waarin hij ‘dringend en beleefd’ verzoekt zijn bedrijf in aanmerking te laten komen voor het ruim 5.000 vierkante meter grote terrein dat zeer strategisch gelegen is tegenover de terminal.

Taxatierapport

In de brief licht Dabboussi zijn bedoelingen niet nader toe. Het enige dat hij meldt is een gebouw te willen neerzetten voor ‘General Aviation & Tourist Services’. Voor Laplace is dat voldoende om taxatiekantoor Pieters te verzoeken de waarde van het terrein te bepalen. Dat levert – vrijwel per omgaande – op 19 juni een ‘deskundigenrapport’ waarin beëdigd taxateur Michael Joseph Pieters ‘naar beste kennis en wetenschap’ tot een marktwaarde van 111.500 dollar komt.

Niet alleen de snelheid waarmee de taxatie is uitgevoerd, ook de omvang van het ‘deskundigenrapport’ valt op: één A4tje plus een met bibberige hand ingekleurde situatieschets. Voor Laplace is dat genoeg om een uitgewerkt concept-Memorandum of Understanding op te stellen.

Bestuurscollege

Op 11 juli brengt Laplace het Bestuurscollege – enig aandeelhouder van BIA – op de hoogte van het plan eigendomsgrond voor 60 jaar in gebruik te geven aan Dabboussi en vraagt de gedeputeerden akkoord te gaan met de MoU. Laplace wil de vaart er in houden dus stuurt hij meteen een concept-aandeelhoudersbesluit mee. Het BC hoeft slechts te tekenen bij het kruisje. De BIA-directeur is niet scheutig met informatie en vertelt het BC niet meer dan dat de grond bedoeld is ‘voor economische ontwikkeling’.

Dat breekt hem op, want op 22 augustus laat het BC weten ‘vooralsnog’ geen goedkeuring te geven omdat de overlegde informatie tekort schiet. Het BC vraagt zich onder meer af of het plan van Dabboussi de haalbaarheid van BIA’s eigen plannen voor de ontwikkeling van de luchthaven (o.a. meer de bouw van een nieuwe terminal annex businesscenter) niet in de weg zal staan. Twijfels zijn er ook over het niet indexeren van de erfpachtvergoeding.

Businessplan

Laplace krijgt huiswerk: hij moet een bedrijfseconomische onderbouwing in de vorm van een businessplan overleggen, aantonen dat de initiatiefnemer voldoende deskundigheid, maar ook financiële middelen heeft om het project tot een goed einde te brengen en inzage bieden in het bouwplan inclusief tekeningen.

Zo makkelijk laat Laplace zich niet uit het veld slaan. Alweer razendsnel (op 9 september) schrijft hij dat de MoU de overheid voldoende zekerheden biedt. Hij benadrukt dat het project ‘de economie van Bonaire en zeker de ontwikkeling van de luchthaven ten goede komt’, maar onderbouwt dat niet in woorden, noch met cijfers.

Groen licht

Uit de op 25 november gedateerde reactie blijkt het BC zijn aanvankelijke bezwaren te hebben ingeslikt. Voor het businessplan krijgt Dabboussi extra tijd: dat hoeft er niet te zijn vóór het ondertekenen van de MoU, maar mag tot 6 maanden daarna worden ingediend. Wat het BC nog wel eist is dat zowel in de MoU als in de later te sluiten notariële akte enkele ontbindende voorwaarden worden opgenomen. Zo wordt vastgelegd dat Dabboussi binnen 6 maanden na het verkrijgen van de bouwvergunning met de bouw moet beginnen en dat het pand uiterlijk 24 maanden later in gebruik wordt genomen.

Een aandeelhoudersbesluit waarin het Bestuurscollege het licht op groen zet voor BIA om de erfpachtovereenkomst met Dabboussi af te ronden wordt meegestuurd. Nog diezelfde dag tekenen Laplace en Dabboussi de 5 kantjes tellende MoU.

Geheimhouding

Uit de MoU blijkt dat Dabboussi jaarlijks 1,20 dollar per vierkante meter aan erfpachtcanon verschuldigd is, in het zesde jaar oplopend naar 1,40 dollar, maar in de daarna volgende 54 jaar niet zal worden verhoogd. Hoe gering een jaaropbrengst van maximaal 7.000 dollar ook is, Laplace benadrukt dat de deal bijdraagt aan ‘de verbetering van de balans’ van BIA.

In de MoU is een geheimhoudingsclausule opgenomen. Niets uit het document mag naar buiten worden gebracht en als BIA of de overheid al iets wil publiceren mag dat alleen na instemming van Dabboussi.

Niet gemachtigd

Nog geen week na het ja-woord van het BC en de ondertekening van de MoU heeft Laplace een notariële akte laten opstellen. Op 2 december volgt een nieuw aandeelhoudersbesluit van het BC voor het laten passeren van de akte. Dat gebeurt de volgende dag (3 december) bij notaris Kenneth Arends.

Laplace tekent de akte – om 8 minuten over 11 ‘s avonds – zonder daartoe het mandaat te hebben van de Raad van Commissarissen. De vereiste machtigingen worden op 5 december – na de inschrijving op 4 december van de transactie in het Kadaster – ten overstaan van notarissen in de Verenigde Staten en Nederland opgemaakt en alsnog aan het dossier toegevoegd. Onduidelijk is of de commissarissen reeds in een eerder stadium op de hoogte zijn gesteld.

Ongelijk speelveld

De transactie zat ook een aantal klanten van BIA niet lekker: vier autoverhuurbedrijven maakten amper een week nadat de transactie was ingeschreven in het kadaster via hun advocaat hun ongenoegen kenbaar. Zij vrezen een ongelijk speelveld omdat Dabboussi ook agent is van Avis.

 

Bron: Koninkrijksrelaties.nu

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *