Kunneman en Frielink hebben het aan het verkeerde eind

ONDER PUNT 1 van zijn ingezonden stuk stelt Frank Kunneman dat de Staten slechts beperkt kunnen worden door wat is bepaald in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, in de Staatsregeling en in internationale verdragen. Verder stelt hij dat de regering de bevoegdheden van de Staten nooit kan beperken zonder de medewerking van de Staten. Het is volgens mij juist hetgeen in onze Staatsregeling vermeld staat dat het parlement beperkt wordt in haar handelen wanneer de regering het parlement op grond van artikel 53 van de Staatsregeling ontbindt. Hierbij doel ik dan op hetgeen staat vastgesteld in de Memorie van Toelichting van artikel 53 van de Staatsregeling. De Memorie van Toelichting stelt dat het parlement moet blijven functioneren tot na de verkiezingen ter waarborging van de continuïteit. De Memorie van Toelichting stelt tevens duidelijk dat het parlement ondanks het besluit tot ontbinding in de periode tot aan de ontbinding na drie maanden, allerlei zaken kan blijven afdoen en in functie is voor het geval zich bijzondere omstandigheden voordoen. Dit heeft dezelfde strekking als hetgeen de gouverneur aan de regering heeft gesteld bij het ondertekenen van het Landsbesluit ter ontbinding van het Parlement. Men kan dan stellen dat conform de analogie het parlement op grond van hetgeen vastgelegd is in de Memorie van Toelichting van artikel 53, zichzelf de status van een demissionair parlement heeft gegeven. De Memorie van Toelichting vormt een onderdeel van elke wet en geeft de geest weer of beter gezegd de bedoeling van de wetgever achter de wet en heeft eenzelfde geldingskracht. Dus het parlement heeft, in tegenstelling tot wat Frank Kunneman beweert, met het aannemen van hetgeen vastgelegd is in de Memorie van Toelichting, zelf haar handelen beperkt in de periode na het besluit tot ontbinding, door te stellen dat het parlement allerlei zaken kan blijven afdoen en dat zij in functie blijft voor het geval zich bijzondere omstandigheden voordoen. Indien men niet aan de bevoegdheden van het parlement had willen tornen, had men gewoonweg moeten stellen dat de bevoegdheden van het parlement onbeperkt van kracht blijven tot het moment van samenkomen van het nieuw gekozen parlement. Verder druist het aannemen van een motie van wantrouwen tegen de ministers om een ander kabinet te vormen, naar mijn mening, regelrecht in tegen de geest van de Memorie van Toelichting van artikel 53 van de Staatsregeling. Trouwens artikel 29 van onze Staatsregeling stelt dat wanneer een minister niet meer het vertrouwen heeft van het parlement, deze zijn functie ter beschikking dient te stellen. De ministers hebben al hun functie ter beschikking gesteld bij de gouverneur. Kunneman en de andere juristen, zoals Karel Frielink, die zijn stelling ondersteunen dienen best te weten dat indien dit in een hypothetische situatie een geval voor de rechter zou zijn de rechter het parlement niet ontvankelijk zou verklaren. In dit geval zal de gouverneur eenzelfde positie innemen als de rechter. Verder vraag ik mij af waar al deze juristen en niet-juristen waren met hun mening toen de vorige regering PAR, PNP en FOL bij monde van toentertijd premier E. De Jongh- Elhage, de in de Staatsregeling vastgestelde periode van het parlement wilde verlengen en zodoende het volk de kans wilde ontnemen naar de stembus te gaan. Via diverse nieuwsmedia heb ik toentertijd gesteld dat de regering geen enkele hoogbijzondere reden had om zo’n maatregel te nemen met de steun van het parlement uiteraard. Ik zal een andere keer hierop verder ingaan.

FELIX D. PINEDO
Curaçao

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *