Saleh: ‘Nederland kan niet zelf banden verbreken, maar wel druk uitoefenen’

Jaime Saleh tijdens zijn afscheidsrede.

Jaime Saleh tijdens zijn afscheidsrede: ‘Nederland kan niet zelf banden verbreken, maar wel druk uitoefenen’

WILLEMSTAD — Nederland heeft geen zelfbeschikkingsrecht wanneer het gaat om zijn relaties tot de andere delen van het Koninkrijk. Deze stelling deponeerde Jaime Saleh tijdens zijn afscheid als bijzonder hoogleraar in het Constitutioneel Koninkrijksrecht aan de Universiteit Utrecht.

Hij baseert dit op het Volkenrecht en het Statuut. Nederland kan echter wel zodanig pressie uitoefenen, dat andere Rijksdelen min of meer worden gedwongen in te stemmen met het verbreken van de banden.

“Bij het lezen van de verdragen en resoluties van de VN over het begrip zelfbeschikkingsrecht kan men tot geen andere conclusie komen dan dat het gaat om het recht van minderheden, onderdrukte volkeren, koloniën”, aldus Saleh.

Op basis van verdragen en resoluties is het dan ook uitgesloten dat de positie van het moederland op een lijn wordt gesteld met die van (voormalige) koloniale gebieden, stelt Saleh. De conclusie kan volgens hem daarom geen andere zijn dan dat Nederland volkenrechtelijk niet gerechtigd is eenzijdig de banden met Aruba, Curaçao, St. Maarten, Bonaire, St. Eustatius en Saba, of met een van deze, te verbreken.

“Gelukkig wordt deze opvatting ook gedeeld door de Nederlandse regering en een grote meerderheid van de leden van de Eerste en Tweede Kamer. Zo heeft de toenmalige staatssecretaris Ank Bijleveld meermalen laten weten dat Nederland volkenrechtelijk een band heeft met de Antillen en dat Nederland daar niet vanaf kan, zelfs al zou Nederland dat willen”, aldus de scheidende professor.

Referendum

Saleh merkt ook op dat het bij de resoluties van de VN gaat ‘om het zelfbeschikkingsrecht van volkeren en dus niet van regeringen en politici’.

“Het kan dus niet zo zijn dat een regering en/ of een parlement de onafhankelijkheid van een land afkondigt zonder het volk door middel van een referendum daarover te hebben gehoord. Voorheen gebeurde het vaak dat grootmachten heel graag een koloniaal gebied en diens regering bij deze soort aspiraties ondersteunde om vervolgens daar invloed op te krijgen.

Thans echter letten de Verenigde Naties heel scherp op de onafhankelijkheidsprocedures met inbegrip van een goed georganiseerd referendum. Daaruit moet blijken dat het volk in volle vrijheid tot de keuze is gekomen.”

Statuut

Zou Nederland dan niet eenzijdig het Statuut kunnen wijzigen en aldus de banden met de eilanden kunnen verbreken?, is de volgende vraag die Saleh stelt.

“Ook hier luidt het antwoord evident negatief. Artikel 55 van het Statuut bevat voorschriften met betrekking tot de wijziging van het Statuut. Een voorstel tot wijziging is alleen mogelijk wanneer Aruba, Curaçao en St. Maarten die bij landsverordening hebben aanvaard. Consensus is dus vereist om het Statuut te wijzigen en bovendien moet hieraan vooraf een referendum onder de bevolkingen van deze landen onder toezicht van de Verenigde Naties worden gehouden.

Voor Bonaire, St. Eustatius en Saba als openbare lichamen van Nederland zijn er geen bijzondere voorzieningen getroffen; maar ook voor deze eilanden geldt dat hun zelfbeschikkingsrecht met de nieuwe status nog niet volledig is uitgeput. Dat is alleen dan het geval als door middel van een in de toekomst, in volle vrijheid gehouden referendum duidelijk blijkt van hun instemming met de dan wellicht gemaakte keuze van onafhankelijkheid.”

‘Verdere escalatie voorkomen’

“Hoewel Nederland dus niet eenzijdig de banden met de eilanden kan verbreken, is er wel de mogelijkheid dat Nederland onder druk van degenen in Nederland die van de Caribische rijksdelen of onder druk van degenen in de Caribische Rijksdelen die van Nederland af willen, op zijn beurt zodanig pressie gaat uitoefenen op deze Rijksdelen dat zij min of meer worden gedwongen in te stemmen met het verbreken van de banden, aldus Saleh.

“Strikt formeel bestaat er dan consensus tot wijziging van het Statuut, al blijft het vereiste van een referendum overeind staan.”

Deze benadering van drukuitoefening is indertijd in feite gevolgd bij het uittreden van Suriname uit het Koninkrijk op 25 november 1975, beredeneert Saleh.

“De Nederlandse regering wilde maar al te graag van de overzeese gebieden af. Tot kort voor deze datum was er geen meerderheid in de Staten van Suriname ten gunste van onafhankelijkheid. Het volk was ook niet gehoord door middel van een referendum.

Als gevolg van een machtsspel tussen coalitie en oppositie buiten het volk om en door een krappe meerderheid vanwege het meedoen van een oppositielid met de regering, kon de onafhankelijkheid niet langer worden tegengehouden. Aldus werd het volk van Suriname min of meer geforceerd de onafhankelijkheid in te gaan.”

Rond diezelfde tijd had het kabinet Den Uyl ook de regering van de Nederlandse Antillen meermalen gevraagd een datum te noemen voor de onafhankelijkheid van dit Koninkrijksdeel.

“De toenmalige regering van de Antillen heeft dit echter steeds weten af te houden. Bij de inmiddels befaamd geworden brief van 10 januari 1975 van minister-president Juan (Juancho) Evertsz aan minister-president Joop den Uyl maakte Juancho Evertsz duidelijk kenbaar dat het in dit stadium vaststellen van een onafhankelijkheidsdatum, ‘de belangen van land en volk van de Nederlandse Antillen ernstig zou schaden’.

Commissie Rosenmöller

Saleh gaat ook nog in op de situatie, die heeft geleid tot de instelling van Commissie Onderzoek Curaçao oftewel de Commissie Rosenmöller. Inmiddels hebben de Staten en het Kabinet van Curaçao kenbaar gemaakt geen gevolg te zullen geven aan de aanbevelingen van de Commissie. Het wachten is nu op de reactie van de Raad van Ministers van het Koninkrijk, aldus Saleh.

“Waar het per saldo in een democratische rechtsstaat als de onze – kort gezegd – om gaat, is dat moet worden voorkomen dat er een smet komt te liggen op bestuurders en volksvertegenwoordigers. Dit leidt immers onherroepelijk tot aantasting van de eer en goede naam van de (ei)landen en hun bevolking, alsmede van het hele Koninkrijk.”

“Ik hoop dan ook van harte dat het Curaçaose Kabinet en de Rijksministerraad in goed overleg met elkaar tot aanvaardbare en werkbare oplossingen kunnen komen om verdere escalatie te voorkomen, waar de bevolking van Curaçao geen enkel belang bij heeft. Op onze eilanden valt het overigens niet mee om genoeg mensen met goede eigenschappen voor politieke functies aan te trekken.

Deze mensen zijn er overigens wel, maar zij lenen zich niet voor politieke functies; enerzijds omdat de politiek – zoals al gezegd – geen al te beste naam heeft en anderzijds omdat zij blootstaan aan allerlei – zacht gezegd – onaardige bejegeningen.

Dit is te betreuren, omdat juist in jonge democratieën gekwalificeerde publieke ambtsdragers nodig zijn om de verantwoordelijkheid voor goed bestuur waar te maken en om de greep op de leiding en het beleid te houden.”

Bron: Amigoe

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *