Opinie | Nederland is gebaat bij een kleine trustsector die zich aan de regels houdt

Marcel Pheijffer | Het Financieele Dagblad

Hoogleraar Accountancy Marcel Pfeijffer van de Universiteit Nyenrode

De Panama Papers hebben nog weinig strafrechtelijk geweld teweeggebracht. Maar wat niet is, kan nog komen. De onthullingen over de clientèle van het Panamese trustkantoor Mossack Fonseca hebben echter wel het nodige stof doen opwaaien over de trustsector. Ook is er meer zicht ontstaan op gehanteerde fiscale constructies en witwasmogelijkheden.

De trustsector was niet altijd even blij met de onthullingen van de Panama Papers en de negatieve publiciteit die daarop volgde. Evenmin was men blij met de aandacht van politici en toezichthouders. Voor hen was het makkelijk scoren, een schot voor open doel. Begrijpelijkerwijs claimden zij strengere wet- en regelgeving. Die is er gekomen: de nieuwe Wet toezicht trustkantoren is op 5 juli door de Tweede Kamer aangenomen en deze zal in 2019 in werking treden.

De nieuwe wet stimuleert dat trustkantoren meer verantwoordelijkheid tonen en professionaliseren. Compliance moet worden versterkt en aan De Nederlandsche Bank moeten periodiek rapportages worden verstrekt. Daaraan zal niet iedereen binnen de branche willen en kunnen voldoen. De Nederlandsche Bank verwacht dan ook – blijkens de ‘Toezicht Vooruitblik 2019’ – dat er kantoren door handhavingsmaatregelen of uit eigen beweging uit de markt zullen verdwijnen en dat de sector dus krimpt, temeer daar De Nederlandsche Bank hogere sancties mag opleggen en deze bovendien openbaar worden.

Wat mij betreft, zijn dat goede ontwikkelingen. De Panama Papers en soortgelijke onthullingen hebben duidelijk gemaakt dat er met behulp van de sector te veel zwart geld en ander crimineel vermogen wordt verborgen en rondgepompt. Dat werkt ondermijnend en tast het vertrouwen in het functioneren van de economie aan.

De onthullingen kennen voor een deel van de sector zeker ook een positieve keerzijde: het kaf wordt van het koren gescheiden. De welwillenden binnen de sector die geen betrokkenheid willen hebben bij criminele geldstromen en vermogens en die wel aan de zware complianceverplichtingen willen en kunnen voldoen, kunnen onder toezicht werken aan een sector die op onderdelen ook een nuttige functie kan vervullen. Het is tegenover hen onterecht om ze over dezelfde kam te scheren als hun kwaadwillende collega’s.

De uitspraak op 10 december van de rechtbank Amsterdam in de zogeheten Trust EU-trustfraudezaak zal door de welwillenden dan ook met gejuich zijn ontvangen. De rechtbank legde de hoofdverdachte 36 maanden gevangenisstraf op en veroordeelde hem wegens deelname aan een criminele organisatie, het plegen van valsheid in geschrifte en witwassen. Als bijkomende straf kreeg de verdachte een beroepsverbod voor drie jaar opgelegd ‘aangezien verdachte in de trustsector schijnstructuren aanbood’ en nog steeds in de sector werkzaam is.

De rechtbank bevestigt belangrijke normen: van de trustsector wordt verwacht dat belastingontduiking en financiële fraude niet worden gefaciliteerd, dat aan formele verplichtingen wordt voldaan én – de rechtbank spreekt dat onomwonden uit – dat in de sector werkzame personen er zelf ook voor zorgen dat de sector verschoond blijft van misbruik. Voor dat laatste wegduiken is onacceptabel. Expliciet wordt ook overwogen dat de verdachte – symbool staande voor de normovertreders binnen de sector – door diens handelen heeft gezorgd ‘voor concurrentievervalsing ten opzichte van trustkantoren die wel moeten voldoen aan de strenge vereisten en zorgplichten’ en het toezicht van De Nederlandsche Bank.

Daarmee verwijst de rechtbank een verdienmodel met schijnconstructies en offshorevennootschappen naar de prullenbak. Ook dat is wat mij betreft een goede ontwikkeling.

De vraag die echter wel resteert, is wat dan precies de ‘nuttige functie’ van de trustsector is. Wat is dan precies het verdienmodel dat daarbij past? En nog iets scherper: valt er dan nog een goed belegde boterham in de trustsector te verdienen? Of resteert er vooral een vorm van administratieve dienstverlening en directievoering, waarvan de inkomsten en winsten in het niet vallen bij hetgeen er eerder binnen de sector werd verdiend met agressieve en ondermijnende structuren?

Ondanks de kritiek op de trustsector, die vaak terecht is, hoop ik op positieve antwoorden. Ik heb in Nederland liever een kleine sector die aan onze spelregels voldoet, met stevig toezicht en strenge rechters, dan een verplaatsing van activiteiten naar buitenlanden zonder deze randvoorwaarden.

We moeten daarom het kind ook niet met het badwater weggooien.

Marcel Pheijffer is hoogleraar accoun- tancy aan de universiteiten Nyenrode en Leiden.

Bron: Financieele Dagblad

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *