Opinie | Yu di Kòrsou Down Under

Leefbare plekken

down under

Johannes Visser

Johannes Visser (31) is geboren en getogen op Curaçao. Hij studeerde bestuurskunde in Rotterdam en werkte voor de Rijksoverheid in Den Haag. Vorig jaar besloot hij zijn comfortabele ambtenarenbaan in te wisselen voor het ‘angstige’ schrijversbestaan. Momenteel verblijft hij in Melbourne, van waaruit hij deze rubriek instuurt. Want waar hij ook is, zijn dushi Kòrsou draagt hij mee in zijn hart.

Ik woon in Melbourne, de meest leefbare stad ter wereld. Dit verzin ik niet en het is niet mijn persoonlijke mening op basis van subjectieve ervaring. Dit staat in een lijstje van The Economist, een vooraanstaand weekblad dat een poging heeft gedaan om objectief te meten waar het op aarde goed vertoeven is. Hierbij keken de onderzoekers naar de kwaliteit van gezondheidszorg, onderwijs, veiligheid, cultuur, natuur en infrastructuur. Australische steden komen vier keer voor in de top 10. Een conclusie, verrassend of niet, is dat de meest leefbare steden grotendeels te vinden zijn in de voormalig Angelsaksische koloniën in de ‘nieuwe wereld’ (Australië, Canada, Nieuw-Zeeland); en dat dit middelgrote steden zijn met een lage bevolkingsdichtheid en veel ruimte. In deze uitgestrekte gebieden met ogenschijnlijk onuitputtelijke natuurbronnen werd in de 17e tot 19e eeuw een volkomen nieuwe samenleving opgetuigd, gestoeld op Brits bestuurlijk model. Nadat de inheemse bevolking effectief was onderworpen dan wel verjaagd dan wel uitgeroeid, kon de blauwdruk van een buitenlands systeem hier een doorstart maken; enerzijds bevrijd van de ketenen van traditie maar tegelijkertijd het resultaat van duizenden jaren van culturele experimenten en (r) evolutie. De aboriginal, jager-verzamelaar en oorspronkelijke bewoner van Australië, was nooit voorbereid op de ontmoeting met deze euraziatische collectieve uitwisseling verzameld in de witte kolonist. De bezetting van ‘lege ruimten’ is niet te vergelijken met de kolonisatie van Azië en Afrika, waar zeer grote bevolkingsgroepen en eeuwenoude civilisaties in bedwang moesten worden gehouden. Zelfs de occupatie van het Centraal- en Zuid-Amerikaanse halfrond was fundamenteel anders, met het Spaanse model van grootgrondbezit en patronage en de praktijk van plundering en onderwerping van de bevolking, ook na de onafhankelijkheid. Daarentegen werden in de Anglosaksische nieuwe wereld al vroeg de fundamenten gelegd van democratisch zelfbestuur, individuele rechten en een economisch systeem met bescherming van eigendomsrechten. Ik besef dat iedere interpretatie van de geschiedenis leidt tot discussie, verhit of niet. Het is hier allerminst mijn doel om het debat aan te gaan over een beschamend hoofdstuk in de geschiedenis van de menselijke ervaring. Maar iedere samenleving is de uitkomst van haar historie; en om te begrijpen waar we zijn, is het goed om te weten hoe we hier gekomen zijn. Ik ben met het vliegtuig gekomen naar Melbourne, de meest leefbare stad ter wereld. Ik kan niet ontkennen dat het leven hier uiterst plezierig is. Het is een zeer uitgestrekte stad waar veel ruimte voor de natuur is gelaten. De hoogbouw in het centrum oogt modern, maar mixt goed met 19e-eeuwse Victoriaanse hoogstandjes. Bij nacht kleurt de stad blauw-roze. De buitenwijken bestaan grotendeels uit goed intact gehouden goudmijnwerkershuisjes, waarvan de façade de afkomst uit Zuid-Europa of het Midden- Oosten weerspiegelt. Er is hier altijd wat te doen, een voortdurende carrousel aan festivals, tentoonstellingen en (straat)feesten. Ik woon zelf aan de rand van Fitzroy, een soort getatoeëerde hipsterwijk en een van de creatieve hotspots wereldwijd. ‘Work art, play hard’ is hier het motto, ook al verzin ik dat nu ter plekke. Wat is het geheim achter het succes van Melbourne, en Australië in het algemeen? Allereerst is het de eerder benoemde combinatie van een jong sociaal contract in een gigantisch gebied met veel hulpbronnen. De economie is booming, voortgestuwd door astronomische inkomsten uit onder andere de mijnindustrie. Alles wordt hier zelf geproduceerd en er hoeft in principe bijna niets te worden ingevoerd. In Melbourne ten slotte geven de mensen koste wat kost voorrang aan het goede leven, aan lekker eten en aan de kunsten. Zijn er lessen te trekken voor Curaçao, ook een voormalige kolonie waar ooit een volledig nieuw systeem is geïmplanteerd? De vergelijking tussen een Caribisch eiland en een eiland-continent gaat eigenlijk niet op, maar vergeef me dat ik een poging doe. Zoals de geschiedenis aantoont, is de wijze waarop de samenleving wordt ingericht cruciaal. Dushi Kòrsou is dan wel een functionerende democratie met relatief goed ontwikkelde instituties als rechtspraak, centrale bank, onderwijs et cetera; maar het kent mede vanwege de geringe omvang nog altijd kenmerken van het patronagesysteem. Je kent elkaar en gunt elkaar wat en verwacht wat terug. Maar zo zou het niet moeten. In een hoogstaande rechtsstaat is iedere vleug van belangenverstrengeling onvergeeflijk. Ik denk dat de meningen hierover niet verschillen. Wat betreft de natuurlijke hulpbronnen zijn de strategische locatie voor olieraffinage en het potentieel voor toerisme ons allen bekend. Zoals andere kleine (stads) staatjes hebben bewezen, zijn omvang en natuurlijke hulpbronnen, of het gebrek daaraan, niet per se bepalende voorwaarden voor succes of falen. Uiteindelijk valt of staat het succes van een samenleving met de kwaliteit van haar bestuur. En als we dat ooit op orde krijgen, wie weet, dan belandt Curaçao ook ooit op een lijstje van The Economist.

Bron: Amigoe

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *