Partijen krijgen maand voor onderhandeling Jan Kok-olievervuiling

Monumentenzorg en SSP versus Isla

Op deze archieffoto krijgt men een indruk van de omvang van de schade. De binnengedrongen olie in het Ramsar-gebied, werd in grote hoeveelheden opgezogen.

Op deze archieffoto krijgt men een indruk van de omvang van de schade. De binnengedrongen olie in het Ramsar-gebied, werd in grote hoeveelheden opgezogen.

WILLEMSTAD — De behandeling van de zaak die door de Stichting Monumentenzorg en Sea Shore Properties NV (SSP), als gedeeltelijke eigenaren van de door het olielek getroffen gebieden Rif St. Marie en Jan Kok saliña, vorig jaar was aangespannen tegen de huurder van de Curaçao Oil Terminal (COT), de Isla-raffinaderij, vond gistermiddag plaats.

Advertentie

De rechter heeft de partijen vier weken de tijd gegeven om te kijken in hoeverre overeenstemming kan worden bereikt over de mogelijke aanleg van technische voorzieningen om het binnendringen van olie in het gebied in de toekomst tegen te gaan en over de mogelijke restschade.
Zoals de Amigoe uitvoerig heeft bericht, vond het olielek op 17 augustus 2012 plaats, waarop de bovengenoemde gebieden met olie volstroomden en vervuild raakten.
Deze waren vlak daarvoor aangewezen tot beschermd gebied onder de Ramsar-conventie. De landen die deze internationale conventie hebben getekend verplichten zich tot het beschermen van de draslanden (saliñas).
Monumentenzorg en SSP stellen de COT-exploitant aansprakelijk voor de vervuiling en verstaan onder de Isla, de volgende entiteiten die tevens gedaagd zijn: Refineria Isla Curaçao BV (Isla BV), Refineria Isla Curazao S.A. (Isla S.A.) en Petroleos de Venezuela S.A. (PdVSA).
Volgens de eisers is de ware omvang van de schade aan het gebied, slechts middels een professioneel bodem- en wateronderzoek vast te stellen, vandaar dat er nog geen definitieve schadeclaim aan de rechter wordt voorgelegd.
De restschade kan slechts met een onderzoek vastgesteld worden, waarover de partijen nu mogelijk in beraad gaan.
Mochten de partijen na deze vier weken nog in gesprek zijn, zal de rechter daar extra tijd voor geven.
De raadsman van de gedaagde partijen, Rob Rijnberg, stelt dat de COTexploitant alles ontkent wat er door de eisende partijen in hun verzoekschrift en conclusies gesteld wordt. Verder trekt de Isla de betrouwbaarheid van een door de eisende partijen voorgedragen deskundige, Klaus Genssler, van het bedrijf Scaltech, dat in het verleden voor de verwerking van ruwe vervuilde olie door PdVSA werd ingehuurd, in twijfel.
Rijnberg gaf aan dat Genssler wrok tegen de Isla zou koesteren.

De eisers hebben tevens aandacht besteed aan de heersende windrichting, ten tijde van het olielek.

De eisers hebben tevens aandacht besteed aan de heersende windrichting, ten tijde van het olielek.

De raadsheer van de Monumentenzorg en SSP, Rogier van den Heuvel, beroept zich in zijn uiteenzettingen onder andere op het gebruik van ‘common sense’ (gezond verstand):

Laten we even teruggaan naar datgene wat iedereen kan zien, er wordt vaker olie uit de COT gelekt.
Laten we even kijken naar de afstand: nog geen 2,5 kilometer.
Laten we even kijken naar de windrichting: recht in de roos.
Er is geen oliedeskundige of jurist nodig om de conclusies te trekken die daaruit te trekken zijn.
De lekkage zelf, de korte afstand van de COT naar de Saliña en de windrichting (ten tijde van het olielek, red.) zijn niet te ontkennen.”

Van den Heuvel gaat in zijn uiteenzettingen uitvoerig in op de windrichting ten tijde van de olielekkage.

Alle olie die bij de COT is gelekt, is vanaf het moment van de lekkage recht in de richting van de Boca St. Marie geblazen.
De windhoek van 90 graden is overigens de dominante windhoek van Curaçao.
Eb en vloed zijn dan ook nog van invloed.
Ik kan met een deskundige bewijzen – en bied dat aan – dat de getijden in de relevante periode het instromen van olie in de saliña hebben mogelijk gemaakt.
Dat zou niet nodig moeten zijn, want dat dat het mogelijk is geweest staat vast.
De olie is binnengekomen.”

Hij stelt dat als een ‘mystery-spill’ de oorzaak zou zijn geweest het om een schip zou moeten gaan ‘dat niemand gezien heeft’ en omschrijft de stelling als de spookschipdoctrine.

Als we op het kaartje kijken, dan zien we dat dat spookschip – want dat moet het geweest zijn – in de Bullenbaai had moeten liggen om olie in de monding van Rif St. Marie te kunnen laten stromen.
Zou er meer naar het zuiden een olievlek zijn vrijgekomen, dan zou die olie ten zuiden van de kust zijn afgedreven en misschien elders in westelijke richting zijn aangespoeld.”

Eisvermeerdering
De eisers hebben hun eis aangepast waarbij gevraagd wordt om veroordeling van de Isla tot een voorschot van 500.000 gulden (te vermeerderen met de wettelijke rente) in plaats van de oorspronkelijke eis van 250.000 gulden.
Dit voor de nog te maken kosten van onderzoek en het herstel van het gebied.
Tevens wordt een vordering neergelegd voor de gemaakte kosten van 38.300 euro (inclusief de wettelijke rente), voor het inschakelen van het schadeclaimbureau Dekra Claims en Expertise, en om de Isla te veroordelen tot vergoeding van de geleden schade ten gevolge van het olielek.
Verder wordt gevorderd de Isla te verbieden om nog olie in concentraties van meer dan 100 ppm (de in de hindervergunning vastgelegde norm) bij Bullenbaai in zee te lozen of op andere wijze in de zee terecht te laten komen.
Het gerecht wordt tevens gevraagd om bij mogelijke toekomstige olielekkages een dwangsom van 5 miljoen gulden per gebeurtenis op te leggen met de bepaling dat Isla geacht wordt aan de veroordeling te hebben voldaan wanneer zij in overleg met de eisers voor beschermende technische voorzieningen (waar de partijen nu mogelijk over zullen onderhandelen) zorgt.
Deze voorzieningen moeten de saliña Rif St. Marie en het omliggende gebied beschermen tegen onverhoopte lekkages middels de aanleg van een sluis.
Deze dient op kosten van de Isla ontworpen, gebouwd, beheerd en onderhouden te worden.
De Isla verzette zich tegen de eisvermeerdering door het volgende te stellen:

De eisers zijn deze procedure begonnen als een spoedeisende bodemzaak en hebben tijd genoeg gehad om hun eis te formuleren. Door hun eis te wijzigen, handelen zij in strijd met de goede procesorde.”

Ook benadrukte Rijnberg dat de eisers alleen hun eigen schade kunnen vorderen.

De vordering tot het doen verrichten van onderzoek buiten de percelen waarop eisers rechthebbende zijn, dient daarom te worden afgewezen.”

Hij benadrukt tevens dat de eisers de ‘bewijslast dragen aangaande de herkomst van de olie’.

Zij hebben geen bewijs geleverd.”

De Isla ontkent in de media te hebben toegegeven dat de olie in deze gebieden, afkomstig zou zijn van de olieterminal.
De raffinaderij stelt verder dat het in deze kwestie om vervuiling gaat door een ‘ongedefinieerde substantie die als olie wordt aangeduid’.

“Dat is van belang omdat er een gigantische hoeveelheid aan entiteiten zijn die olie in de zee hebben kunnen geloosd die drijvend op zee in de wateren van Jan Kok is beland.
Al zou worden uitgegaan van ‘olie’ volgens de specificaties van de monsters die bij Jan Kok zijn genomen, is het niet mogelijk te traceren welke personen en/of entiteiten de vervuiling zouden kunnen hebben veroorzaakt door een mystery-spill.”

Vonnis 19 mei.
bron: Amigoe

Advertentie

back home

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *