Proces olielek Jan Kok van start

wettenWILLEMSTAD — De Stichting Monumentenzorg en Sea Shore Properties NV hebben als gedeeltelijke eigenaren van de door het olielek getroffen gebieden Rif St. Marie en Jan Kok saliña, een verzoekschrift ingediend voor een spoedeisende bodemprocedure tegen de huurder van de Curaçao Oil Terminal (COT), de Isla-raffinaderij.

Volgens de eisers is de ware omvang van de schade aan het gebied, slechts middels een professioneel bodem- en wateronderzoek vast te stellen, vandaar dat er nog geen definitieve schadeclaim aan de rechter wordt voorgelegd.
Wel wordt gevraagd om veroordeling van de Isla van een voorschot van 250.000 gulden (te vermeerderen met de wettelijke rente) voor de nog te maken kosten van onderzoek en het herstel van het gebied.
olierampTevens wordt een vordering neergelegd voor de gemaakte kosten van 38.300 euro (inclusief de wettelijke rente), door het inschakelen van het schadeclaimbureau Dekra Claims en Expertise, de Isla te veroordelen tot vergoeding van de geleden schade ten gevolge van het olielek dat op 17 augustus 2012 plaatsvond en de Isla te verbieden om nog olie in concentraties van meer dan 100 ppm (de in de hindervergunning vastgelegde norm) bij Bullenbaai in zee te lozen of op andere wijze in de zee terecht te laten komen.

Dwangsom
Het Gerecht wordt tevens gevraagd om bij mogelijke toekomstige olielekkages een dwangsom van 5 miljoen gulden per gebeurtenis op te leggen met de bepaling dat Isla geacht wordt aan de veroordeling te hebben voldaan wanneer zij in overleg met de eisers voor beschermende technische voorzieningen zorgt.
Deze voorzieningen moeten de saliña Rif St. Marie en het omliggend gebied beschermen tegen ‘onverhoopte lekkages’ middels de aanleg van een sluis.
Deze dient op kosten van de Isla ontworpen, gebouwd, beheerd en onderhouden te worden.
De eisers verstaan onder de Isla de volgende entiteiten die tevens gedaagd worden:

  • Refineria Isla Curaçao BV (Isla BV),
  • Refineria Isla Curazao S.A. (Isla S.A.) en
  • Petroleos de Venezuela S.A. (PdVSA).

olieramp 22Rogier van den Heuvel van advocatenkantoor VanEps Kunneman VanDoorne heeft de volgende bewijsstukken overgelegd:

  • de hindervergunning,
  • een radio-interview met de woordvoerder van de Isla-raffinaderij Kenneth Gijsberta,
  • krantenartikelen en
  • internetverslagen over het olielek,
  • de twee onderzoeksverslagen (Fase 1 en Fase 2) van het schadeclaimbureau Dekra aan zowel de Stichting Monumentenzorg als Sea Shore Properties NV,
  • een tussenrapport van Carmabi met betrekking tot de schade aan de aanwezige natuur, zowel aan land als onderwater en
  • een persbericht van 28 augustus van de Isla-raffinaderij.

In dit persbericht bood de Isla-raffinaderij haar excuses aan maar kwam daar vervolgens vrij snel op terug door elke verantwoordelijkheid voor de lekkage van de hand te wijzen.

Spoedeisend

“Aangezien gedaagden nog geen verweer hebben gevoerd, anders dan dat de mogelijke oorzaak een ‘mistery spill’ zou kunnen zijn, is het nog niet duidelijk welke stellingen de eisers zouden moeten bewijzen.
Zodra het concrete verweer van de Isla daar aanknopingen voor biedt, kunnen de eisers hun bewijs nader concretiseren”

, aldus van den Heuvel.

De advocaat licht het verzoek, om de zaak als spoedeisende bodemprocedure te behandelen, als volgt toe:

“Denkbaar is dat de Isla zich tegen het spoedeisend belang zal verzetten, zich beroepend op de complexiteit van de zaak en de noodzaak van uitvoerig onderzoek.
Feit is dat de Isla direct na de ramp onderzoek heeft aangekondigd en uitgevoerd en ook haar verantwoordelijkheid heeft erkend. Gelet op deze erkenning en de reeds uitgevoerde onderzoeken, zou onderzoek niet meer nodig zijn”

, aldus de advocaat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *