Rechtmatigheid van fluoride in ons drinkwater

fluorideEén van de constitutioneel verankerde grondrechten in ons land is het recht van de burger op onaantastbaarheid van zijn lichaam. Ingevolge artikel 11 van de Staatsregeling van Curaçao (StReg) heeft eenieder, behoudens bij of krachtens landsverordening te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.
Tekst: Fred Wiel

fluorideBlijkens de bij de Staatsregeling van Curaçao behorende Memorie van Toelichting, gaat het bij het recht op onaantastbaarheid van het lichaam om het recht op afweer van invloeden van buitenaf op het lichaam.
Het bevat – volgens deze toelichting – twee terreinen: het recht te worden gevrijwaard van schendingen van en inbreuken op het lichaam door anderen en het recht zelf over het lichaam te beschikken.
Men kan dus stellen dat onze grondwetgever het individueel/ lichamelijk gerichte zelfbeschikkingsrecht als zodanig uitdrukkelijk als een grondrecht van de burger in onze autonome rechtsorde heeft erkend.
In beginsel mag men dus een medeburger in lichamelijk opzicht geen stof (bijvoorbeeld een medicijn) toedienen zonder diens uitdrukkelijke toestemming (horizontale werking van het grondrecht), tenzij er sprake is van beroep op een noodtoestand.
Dit geldt in veel sterkere mate voor de overheid jegens de burger (verticale werking van het grondrecht); de fundamentele rechten en vrijheden van de mens gelden immers voornamelijk voor de verhouding tussen de overheid en de burger.
Op grond van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en die van de Hoge Raad (HR) kan de overheid niet zonder wettelijke grondslag (volgens EHRM in materiële zin) dit fundamentele recht van de burger aantasten en volgens de HR is hiervoor zelfs specifiek vereist een wet in formele zin (voor wat betreft Curaçao alsdan een landsverordening). Onze Staatsregeling vereist dat laatste trouwens zelfs uitdrukkelijk in artikel 11, waar zij voornamelijk dit recht specifiek heeft afgescheiden en gedenomineerd als een grondrecht, dus een fundamenteel recht dat als zodanig in de constitutie is verankerd.
In onze rechtsorde kan vervolgens worden geconstateerd dat in de preambule of considerans van de ‘Landsverordening Drinkwater’ (P.B. 2006 no. 37) weliswaar de volksgezondheid als doelstelling van de regeling wordt genoemd maar dat tot die doelstelling slechts gerekend wordt de bescherming van de gebruiker van voor menselijke consumptie bestemd water tegen mogelijk schadelijke gevolgen ingeval van verontreiniging van dat water.
Aannemelijk is dan dat een bij lagere wetgeving (Lb) gegeven voorschrift tot toediening van fluoride aan het reguliere drinkwater van de burger op Curaçao slechts dan op genoemde landsverordening zou kunnen worden gestoeld indien de betreffende fluoride-concentratie in het drinkwater een reinigend effect of een verontreinigingwerend effect op het drinkwater zou hebben. Die effecten heeft fluoride echter niet.

De bepaling betreffende de toevoeging van fluoride aan het drinkwater is vastgesteld bij het ‘Landsbesluit kwaliteit drinkwater’ (P.B. 2006, no.72) dat krachtens artikel 12 van de Landsverordening Drinkwater is gegeven; zij bevat dus een onderwerp dat niet valt onder de in de preambule aangegeven werkingssfeer van de Landsverordening Drinkwater.
Gesteld kan daarom worden dat de formele wetgever (die van de landsverordening) dat uitvoeringsvoorschrift (de Lb-bepaling) niet heeft beoogd en dat het voorschrift derhalve niet op genoemde landsverordening gestoeld behoort te zijn.
In het bijzonder kan dan gesteld worden dat de lagere wetgever (de Lb-wetgever) niet bevoegd was de betreffende Lbbepaling ter zake van fluoride op grond van genoemde landsverordening uit te vaardigen en dat hier derhalve sprake is van strijdigheid met de algemene beginselen van behoorlijke regelgeving en wel sprake van onzorgvuldige regelgeving.
Een eigen bestaansrecht, buiten een landsverordening om, heeft een dergelijk grondrechtbeperkend voorschrift overigens ook niet.
Als formele grondslag voor zulk een beperking verlangt artikel 8 EVRM immers een wet – conform het EHRM een wet in materiële zin (zoals een Lb) – en verlangt daarenboven artikel 11 van onze Staatsregeling zelfs een landsverordening.
In ieder geval, uit het vorenstaande moge blijken dat voor de rechtmatigheid van een door de overheid uit te oefenen bevoegdheid tot het maken van inbreuk op het recht van de burger op de onaantastbaarheid van zijn lichaam, hetgeen zou kunnen bestaan uit het doen toedienen van een stof in het lichaam van de burger door middel van het reguliere drinkwater, specifiek een wet in formele zin is vereist, derhalve dat daarvoor naar onze rechtsorde een landsverordening is vereist. Dezelfde bevoegdheidsbeperking geldt voor een medeburger of een rechtspersoon (zoals Aqualectra NV) jegens de burger.
Blijft verder nog de vraag overeind of de bij het ‘Landsbesluit kwaliteit drinkwater’ voorgeschreven of de anderszins toegelaten concentratie van fluoride in onze drinkwater gevaarlijk is voor de gezondheid van volwassenen en/of kinderen in onze samenleving.
Als die gevaarlijkheid overtuigend aantoonbaar mocht zijn, zou de betreffende bepaling van het landsbesluit in strijd kunnen worden geacht ook met het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van genoemde Landsverordening Drinkwater die van een hogere orde is.
Genoemd artikellid bepaalt namelijk dat het drinkwater geen stoffen mag bevatten in hoeveelheden of concentraties die gevaar kunnen opleveren voor de volksgezondheid.
Het laat zich onder de huidige omstandigheden evenwel niet aanzien dat de in kwestie zijnde, voorgeschreven fluorideconcentratie (i.c. 1.5 mg/l) in het drinkwater ontegenzeglijk gevaarlijk is voor de menselijke gezondheid; het antwoord op de vraag in hoeverre die concentratie de gezondheidsnormen al of niet overschrijdt zal nog uitgezocht moeten worden, met medeneming in het onderzoek van het bestaan van andere, voor de menselijke consumptie openstaande bronnen van fluoride dan die van het leidingwater.

Deze kwestie ware daarom hier buiten verdere beschouwing te worden gelaten.
Een wettelijk voorschrift van lagere orde dan een landsverordening, zoals een landsbesluit, die een bepaling inhoudt die de toediening voorschrijft van een stof in het lichaam van de burger maar die in dat opzicht niet specifiek op een landsverordening berust en die derhalve, wat die bepaling betreft, in strijd is te achten met het bepaalde in artikel 11 van de Staatsregeling, is onrechtmatig.
Een stuk wetgeving mag immers niet in strijd zijn met wetgeving van hogere orde.
In ieder geval zou de eventuele strijdigheid van het betreffende voorschrift (de Lb-bepaling) met een wettelijke regeling van een hogere orde (in casu de Staatsregeling) door een rechter moeten worden vastgesteld.
Het betreft hier immers een toetsing aan een grondrechtelijke bepaling.
De vraag is welke rechter daarvoor zou moeten worden geadieerd.
Hiervoor komt niet in aanmerking de LAR-rechter omdat de LAR alleen tegen een schriftelijke ‘beschikking’ beroep openstelt en wel terzake dat de beschikking in strijd is met een algemeen verbindend voorschrift of een algemeen rechtsbeginsel danwel een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur (een ‘beschikking’ is een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de (fictieve) afwijzing van een aanvraag daartoe). Blijft over de gewone (civiele) rechter.
Deze zou wel in dit verband geadieerd kunnen worden maar dan in het kader van een civiele actie, doorgaans een onrechtmatigedaadsactie.
Daarvoor zou financieel nadeel als gevolg van de toepassing van het betreffende voorschrift aangetoond moeten worden, bijvoorbeeld kosten gemoeid met de individuele wering of vermijding van fluoride in het eigen drinkwater.
In het algemeen geldt dat de gewone rechter voor zijn rekening de beoordeling van een overheidsgedraging kan nemen die niet als beschikking is aan te merken, zoals alle andersoortige besluiten, wettelijke voorschriften, privaatrechtelijke overheidshandelingen, feitelijke handelingen of omissies.
Die gedraging kan dan in beginsel door de gewone rechter worden getoetst aan het geschreven en het ongeschreven recht, dus in ieder geval aan direct werkende verdragsbepalingen, wettelijke regelingen, algemene rechtsbeginselen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
In het algemeen geldt ook dat de rechter een bepaling van de lagere wetgever (dan de formele), die in strijd is met een hogere regeling of met een internationaal verdrag danwel met een algemeen rechtsbeginsel, onverbindend zou kunnen verklaren.

Zo zou de bepaling uit het ‘Landsbesluit kwaliteit drinkwater’, die de toevoeging van fluoride aan het drinkwater voorschrijft, door de gewone rechter in een rechtsgeding onverbindend kunnen worden verklaard.
Ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad levert de onverbindendheid van een wettelijke bepaling wegens strijd met een hogere regeling een onrechtmatige daad op en roept derhalve een schadevergoedingsplicht in het leven.
De overheid kan dus met het produceren van lagere wetgeving een onrechtmatige daad begaan, hetgeen ook het geval lijkt te zijn met de Lb-bepaling betreffende de toevoeging van fluoride aan het drinkwater.
Aangezien het hier niet een beschikking betreft maar een landsbesluit houdende algemene maatregelen (Lb-ham) kan hieromtrent niet de LAR-rechter maar de gewone (civiele) rechter worden geadieerd.
Op grond van de notie betreffende de horizontale werking van het onderhavige grondrecht zou men overigens ook de rechtspersoon, belast met de distributie van leidingwater, in rechte kunnen aanspreken wanneer zij fluoride aan het drinkwater in strijd met onze grondrechtelijke normen mocht hebben toegevoegd.
Gegeven het vorenstaande zou de zich tegenwoordig afspelende discussie over de toevoeging van fluoride aan het drinkwater voorlopig alleen tot de sfeer van volksgezondheid beperkt kunnen worden en daarbij geconditioneerd worden door de behoefte eerstens aan een onderzoek naar de normale consumptie van fluoride door de gemiddelde burger, mede uit andere bronnen dan het leidingwater. Daarna zouden de juridische aspecten van deze kwestie beter aan bod kunnen komen.

Drinkwater Fluoridering in Relatie Tot Fluorose Prevalentie Op Curaçao

To Top

0 Reacties op “Rechtmatigheid van fluoride in ons drinkwater

  1. Graag een vraag aan de schrijver van dit artikel. Weet u wat de betekenis is van Bij of Krachens landsverordening? Weet u misschien ook dat krachtens betekent dat beperking bij een lagere regelgeving mogelijk is? Dus ook bij landsbesluit of zelfs regeling van de minister? U moet de mensen niet doen geloven alsof de overheid in strijd met het recht handelt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *