Samen bouwen aan de toekomst van Curaçao

Door Karel Frielink – Over mensenrechten, schuldsanering en het referendum (5)

Mr. Karel Fielink: "Steeds hetzelfde verhaal van advocaat mr. Eldon Sulvaran”

Mr. Karel Fielink: “Steeds hetzelfde verhaal van advocaat mr. Eldon Sulvaran”

Mijn gewaardeerde collega Chester Peterson mengt zich publiekelijk in de discussie tussen de heer Don Martina en mij. Bij zijn betoog plaats ik puntsgewijs een aantal kanttekeningen, waarbij ik opmerk dat hij zoveel te berde heeft gebracht dat ik hier een deel onbesproken moet laten.

1. Het debat tussen de heer Martina en mij ging over de vraag of uitspraken van minister- president Balkenende en staatssecretaris Bijleveld over de mogelijke stopzetting van de schuldsanering ingeval ‘no’ het referendum zou winnen, nu wel of niet een schending van mensenrechten opleveren. Volgens de heer Martina leiden deze uitspraken tot oneigenlijke druk op de bevolking van Curaçao, waardoor de bevolking wordt belemmerd om bij het referendum in vrijheid een keuze te maken. Mijn standpunt is dat ministerpresident Balkenende en staatssecretaris Bijleveld in duidelijke bewoordingen hebben aangegeven welke afspraken zijn gemaakt en onder welke omstandigheden de schuldsanering kan worden stopgezet. Met de schending van mensenrechten heeft dat niets te maken.

2. De opmerking van de heer Peterson dat ik de ‘gedocumenteerde toelichting’ van de stelling van de heer Martina niet met documenten weerleg en het bij een ‘loze uitspraak’ laat, is – zacht uitgedrukt – zwak te noemen. Dat in dit geval sprake zou zijn van een schending van mensenrechten staat namelijk niet vast, laat staan dat de heer Martina dat met documenten zou hebben gestaafd. Het internationale toetsingskader is bekend en het verschil van mening gaat over de interpretatie daarvan. Mijn interpretatie baseer ik op de talloze stukken die ik over dit onderwerp heb gelezen en die mijns inziens voldoende basis voor mijn opvatting verschaffen.

3. Volgens de heer Peterson had Nederland zelfs geen voorwaarden aan de schuldsanering mogen stellen, want dat levert reeds een schending van mensenrechten op. Het staat hem vrij deze opvatting te verkondigen, maar deze vindt geen steun in het (internationale) recht.

4. De heer Peterson is nogal ‘economical with the truth’ waar hij stelt dat ik inzake de discussie over mensenrechten al eens door mijn kantoorgenoot Douwe Boersema terecht zou zijn gewezen. Dat is simpelweg niet waar. De overigens niet door de heer Boersema beargumenteerde opmerking, waarop de heer Peterson kennelijk doelt, ging over een heel ander onderwerp, namelijk over de staatsrechtelijke kant van de aanwijzingsbevoegdheid. Als de heer Peterson wil weten hoe de heer Boersema over mensenrechten denkt, dan moet hij zijn proefschrift maar eens lezen (Dr. D.A.A. Boersema, ‘Mens mensura iuris. Over rechtsbewustzijn, gelijkheid en mensenrechten’).

5. In de discussie tussen de heer Martina en mij ging het niet om de vraag of bij het referendum ‘sí’ of ‘no’ gestemd zou moeten worden. De heer Peterson brengt dit element nu in de discussie door mij te verwijten dat ik een ‘in juridische zin niet goed te verdedigen voorkeur’ voor ‘sí’ heb en dat ik daarvoor dus andere ‘niet gegronde motieven’ heb. Ik zou niet weten welke juridische gronden er zouden zijn om niet voor ‘sí’ te zijn. In dat verband verwijs ik de heer Peterson overigens naar de reactie van rechter Bob Wit op een interview van Radio Direct met zijn kantoorgenoot ‘Peppie’ Sulvaran (http://www.curacaolaw. com/rechter-bob-wit/).

6. Overigens ben ik, maar dat is genoegzaam bekend, voor ‘sí’. Die optie geeft namelijk de beste startpositie om te werken aan belangrijke onderwerpen als scholing, werkgelegenheid, culturele ontplooiing, gelijke kansen, een schoon milieu, betere gezondheidszorg, goede huisvesting en noem maar op. Dat zijn de mensenrechten die er hier en nu concreet toe doen. Ik stem dan ook niet ‘sí’ om er zelf beter van te worden, maar voor Curaçao en de bevolking van Curaçao. Het gaat om de toekomst van ons allemaal.

7. Volgens de heer Peterson is wat betreft Nederland sprake van een koloniale mentaliteit, waarvan machtsmisbruik een kenmerkende eigenschap is. Het koloniale verleden, de slavernij en de slavenhandel zijn inktzwarte bladzijden in de geschiedenis, waaraan alleen maar met afschuw kan worden gedacht. Maar de tijden zijn gelukkig wel veranderd, ook al drukken Nederlandse politici zich niet zelden uit in bevoogdende en dus ook mij irriterende bewoordingen.

Maar wie mocht denken dat Nederland uit is op rekolonisatie van Curaçao begrijpt weinig tot niets van de gedachtewereld van de Nederlandse politici.

President Obama heeft zich bij herhaling uitgelaten over het slavernijverleden van de Verenigde Staten. Zijn boodschap is helder:

‘De treurigheid van de geschiedenis biedt geen aanknopingspunten voor een betere toekomst. Alles van vroeger is jammer. Wij moeten de bladzijde omslaan. Wij beginnen opnieuw’.

8. Dat er ook op Curaçao, bij tijd en wijle, sprake is van racisme is mij inderdaad niet ontgaan. Curaçao is een smeltkroes van culturen en dan gebeuren er wel eens dingen die niet zouden mogen gebeuren. Onheus is de persoonlijke aanval van de heer Peterson wanneer hij mij verwijt dat ik niet oprecht ben als het gaat om de strijd tegen racisme.

Dat verwijt is enkel gebaseerd op het feit dat ik een aantal door de heer Peterson nu pas genoemde punten in de discussie met de heer Martina niet heb aangekaart. Maar dat is volstrekt onvoldoende basis om mijn integriteit, en dan nog wel publiekelijk, in twijfel te trekken.

9. Ronduit schokkend is de stelling van de heer Peterson dat op Curaçao sprake is van ‘apartheid’, waarbij hij wijst op ‘baaien of horecagelegenheden, waar vrijwel alleen in Nederland als autochtoon aangemerkte Nederlanders komen of zelfs de meest simpele banen krijgen’. Dat is een uitspraak die erg lijkt op sterk rechtse geluiden in Nederland en die er op neerkomen dat ‘buitenlanders’ de banen (en baaien) inpikken die van ‘ons’ zijn.

Nog even los van de formeel- juridische benadering over de toelating van mensen ‘van buiten’, want die toelating is wettelijk geregeld, is het niet zo dat uitbaters van bijvoorbeeld horecagelegenheden op Curaçao selecteren op ras of huidskleur.

Door de hotel- en horecawereld op Curaçao is in de afgelopen jaren bij herhaling aangegeven dat het moeilijk is om vooral Curaçaose jongeren te interesseren voor een baan in bijvoorbeeld de bediening en dat er een zekere weerstand lijkt te bestaan tegen banen waarbij het gaat om serviceverlening. Er zijn daarom ook initiatieven ontplooid om met name die jongeren ook in deze sector aan werk te helpen, waarbij ik slechts het opleidingshotel als voorbeeld noem.

10. De heer Peterson maakt er melding van dat er door sommige ‘sí’-aanhangers intimiderend campagne zou zijn gevoerd tegen burgers van Latino-afkomst en dat gezegd zou zijn dat zij bij een ‘no’-uitslag hun Nederlandse nationaliteit en paspoort zouden verliezen en dat medici onder hen geen SVB-vergoedingen meer zullen genieten.

Ik weet simpelweg niet of er individuen zijn die dat hebben gezegd, maar ik neem daar zonder voorbehoud afstand van. Mijn zorgen over de ‘no’-campagne betroffen echter niet alleen individuen, want er zijn diverse gevallen van individuele intimidatie bekend, maar ook groepen binnen en officiële vertegenwoordigers van het ‘no’-kamp.

Ik volsta hier met te verwijzen naar het stuk ‘Stop racisme op Curaçao’ wat is te vinden op www.kuradigital.com. Ook deze bladzijde in onze geschiedenis moeten we zo snel mogelijk omslaan. Vanaf nu moeten we eendrachtig aan onze gezamenlijke toekomst gaan bouwen!

De heer Karel Frielink is als advocaat en partner verbonden aan Spigthoff Advocaten & Belastingadviseurs.

 

Bron: Antilliaans Dagblad

Zie ook: Dossier: Consensus Rijkswetten – en de strijd tegen de Rijkswetten

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *