Staatkundige perikelen van 2012 in de doofpot?

Denker
Het is begrijpelijk dat ex-premier Gerrit Schotte wil komen tot een zogenoemde reformeren van voornamelijk ons verkiezingsstelsel of ons kiesreglement. De wijze waarop zijn kabinet ten val is gebracht en de daarna volgende wijze waarop zijn demissionair kabinet werd gewipt twee maanden voordat de verkiezingen plaatsvonden zit hem terecht, blijkbaar nog zwaar op de maag.

Advertentie

Na de val van het kabinet Schotte vorig jaar is het stil gebleven voor wat betreft de discussies rondom de staatsrechtelijke perikelen, die zich voordeden.
Via de elektronische nieuwsmedia ben ik twee ‘positionpapers’ tegengekomen met commentaren over dit onderwerp. Het gaat om een ‘paper’ geschreven door professoren mr. Arjen B. van Rijn en mr. Lodewijk Rogier en een stuk van mr. Jan Willem van Rossem (docent en onderzoeker staatsrecht aan de Universiteit van Utrecht) gepubliceerd in de Nederlandse Juristenblad 19 oktober 2012.
Tevens heb ik de bekende brief van professor Bovend’Eerd (hoogleraar staatsrecht Radbout Universiteit Nijmegen) aan toenmalige premier Gerrit Schotte, nogmaals doorgenomen.
Rogier en van Rijn stellen dat de redenering (zoals toenmalige premier Gerrit Schotte op is blijven staan) dat een reeds demissionair kabinet, niet nogmaals naar huis gestuurd kan worden door het parlement, niet opgaat.
Jan Willem van Rossem ondersteunt in zijn ‘paper’ deze stelling van Rogier en van Rijn.
Bovend’Eerd deelt de mening van genoemde schrijvers niet.
Van Rijn en Rogier stellen ‘dat er nooit een situatie zal mogen ontstaan, waarin er geen gekozen volksvertegenwoordiger voor handen is met alle rechten en bevoegdheden van dien.
Deze hooggeleerde heren stellen verder dat in een vertrouwensrelatie tussen parlement en regering de wil van de volksvertegenwoordiger ter aller tijde doorslaggevend is.
Het is daarom volgens hen dat de Staten het volste recht hadden om een interim kabinet te doen aanstellen.
Van Rijn en Rogier vergeten echter dat de wil van de volksvertegenwoordiger ook vastgelegd is onder artikel 53 van de Staatsregeling (Streg) van Curaçao.
Hier zal ik verderop in deze ‘positionpaper’ de nodige uitleg geven.
Van Rijn en Rogier ondersteunen ook het verzoek van de ‘desidente’ statenleden aan de gouverneur om een interim-kabinet te doen aanstellen.
Zij waren tevens de mening toegedaan dat de besluiten van de meerderheid van de Staten om een nieuwe voorzitter van de Staten te kiezen, de regering Schotte daadwerkelijk weg te sturen en de gouverneur te vragen een formateur aan te stellen, rechtmatig waren.
Naar mijn mening waren conform het gestelde onder artikel 53 van onze Staatsregeling en expliciet uitgewerkt in de Memorie van Toelichting, deze handelingen en besluiten van de ‘desidente’ statenleden juist onrechtmatig.
Naar mijn mening had de toenmalige premier Schotte terecht de gouverneur niet bevoegd geacht om een nieuwe formateur aan te wijzen.
Van Rijn en Rogier gaan zover in hun ‘paper’ door te stellen dat strikt genomen de statenmeerderheid van het gebruik konden afwijken en zelf het formatieproces op gang konden brengen en regiseren.
Ik stel nogmaals, ten aanzien van deze bevindingen van van Rijn en Rogier, dat de Staten dan op grond van het gestelde onder artikel 53 van de Staatsregeling versterkt door de onderbouwing in de Memorie van Toelichting, onrechtmatig hebben gehandeld. De diverse genoemde schrijvers hebben in hun ‘paper’ verschillende keren artikel 53 van de Staatseregling aangehaald en op hun manier gïnterpreteerd. Hun interpretatie van dit artikel is echter onderhevig aan de nodige ‘critique’. Voor de goede orde met ‘critique’ wordt bedoeld het met goede onderbouwing ter discussie stellen van ingenomen standpunten van anderen.
Het is volgens mij juist hetgeen in onze Staatsregeling vermeld staat, dat het parlement beperkt wordt in haar handelen wanneer de regering het parlement op grond van artikel 53 van de Staatsregeling ontbindt. Hierbij doel ik dan op hetgeen staat vastgesteld in de Memorie van Toelichting van artikel 53 van de Staatsregeling. Artikel 53 van de Memorie van Toelichting Streg stelt dat het parlement moet blijven functioneren tot na de verkiezingen ter waarborging van de continuïteit. In de Memorie van Toelichting wordt tevens duidelijk gesteld dat het parlement ondanks het besluit tot ontbinding in de periode tot aan de ontbinding na drie maanden, allerlei zaken kan blijven afdoen en in functie zijn voor het geval zich bijzondere omstandigheden voordoen. Dit heeft naar mijn mening dezelfde strekking als hetgeen de gouverneur volgens het gebruik aan de regering stelt bij het ondertekenen van het Landsbesluit ter ontbinding van het parlement. Vandaar dat men spreeekt van een demissionair kabinet. Men kan dan stellen dat conform de analogie, het parlement op grond van hetgeen vastgelegd is in de Memorie van Toelichting van artikel 53 Streg, zichzelf de status van een demissionair parlement heeft gegeven. Al wordt de bewoording ‘demissionair’ niet vermeld in de Memorie van Toelichting. De Memorie van Toelichting vormt een intergraal onderdeel van elke wet en geeft de geest weer of beter gezegd de bedoeling van de wetgever achter de wet en heeft eenzelfde geldingskracht. Dus het parlement heeft, in tegenstelling tot wat van Rijn en Rogier en anderen beweren, met het aannemen van hetgeen vastgelegd is in de Memorie van Toelichting, zelf haar handelen beperkt in de periode na het besluit tot ontbinding, door te stellen dat het parlement allerlei zaken kan blijven afdoen en dat zij in functie blijft voor het geval zich bijzondere omstandigheden voordoen. Indien men niet aan de bevoegdheden van het parlement had willen tornen, had men gewoonweg in de Staatsregeling moeten stellen dat de bevoegdheden van het parlement onbeperkt van kracht blijven tot het moment van samenkomen van het nieuwe gekozen parlement. Verder rijst de vraag welke bijzondere omstandigheden zich hebben voorgedaan opdat de ‘desidente’ statenleden over zouden gaan tot niet lopende zaken als het benoemen van een nieuwe voorzitter van de Staten en het via de gouverneur aanstellen van een informateur/formateur met de bedoeling tot het benoemen van een interim-kabinet. Indien het demissionaire kabinet Schotte ook over zou gaan tot andere niet lopende zaken dan was het kabinet ook fout bezig en kon teruggefloten worden gebruikmakend van de aanwijzing in het besluit van de gouverneur, dat het demissionaire kabinet slechts lopende zaken zou afhandelen. Van Rijn en Rogier schijnen toch doordrongen te zijn geweest van hetgeen ik hier naar voren breng. Zij schrijven namelijk; ’voor dit soor situaties zou een constitutionele rechter uitweg kunnen bieden, die ook bevoegd is om onder spoedeisende omstandigheden knopen door te hakken’. Vandaar dat ik benieuwd ben wat een constitutionele rechter zou hebben geoordeeld, dus of er sprake was van spoedeisende of bijzondere omstandigheden of niet. Tevens of het kiezen en benoemen van een nieuwe Statenvoorzitter indruist tegen het gegeven in de staatsregeling dat het parlement zich met lopende zaken zou bezighouden. Verder druist het aannemen van een motie van wantrouwen tegen de ministers om een ander kabinet te vormen, naar mijn mening, regelrecht in tegen de geest van de Memorie van Toelichting van artikel 53 van de Staatsregeling. Trouwens artikel 29 van onze Staatsregeling stelt dat wanneer een minister niet meer het vertrouwen heeft van het parlement deze zijn functie ter beschikking dient te stellen. De ministers hebben al hun functie ter beschikking gesteld bij de gouverneur. Doordat één en ander bij ons vastgelegd is in onze Staatsregeling (geschreven recht) in tegenstelling tot wat het geval is in Nederland, laat dit niet veel ruimte over om hieraan te tornen. Naar mijn mening dient in dit geheel uitgegaan te worden van één of meer van de gangbare interpretatiemethoden voor het recht, namelijk;
– De rechtshistorische interpretatiemethode
– De wetshistorische interpretatiemethode
– De teliologische interpretatiemethode
– De grammaticale interpretatiemethode
– De wetsystematische interpretatiemethode
– De anticiperende interpretatiemethode
Naar mijn mening dient voor het onderhavige punt van discussie, uitgegaan te worden van de grammaticale interpretatiemethode, dus de interpretatie naar de letter van de wet. Bij de grammaticale interpretatiemethode wordt er exact naar de letter van de wet gekeken. Dit betekent dat in een eventuele rechtszaak, die in dit geval nu niet mogelijk is, de rechter kijkt naar de woorden van de wet, naar hoe de wetgever de wet heeft opgeschreven. De rechter kijkt hierbij naar de algemene betekenis van de woorden in een wettekst, dit meestal volgens een gangbaar woordenboek. Vaak kijkt men naar het normale spraakgebruik van een woord. Meestal gaat het niet om een hele wettekst, maar om een bepaald woord in de tekst zelf. De rechter zal de betekenis van het woord achterhalen en zo de wettekst uitleggen. Dit laat dan volgens mij geen ruimte over voor al die fylosofische denkwijzen van Rogier, van Rijn en anderen. Vandaar dat ik zeg ‘keep it simple stupid’ (KISS).
Jammer genoeg blijkt deze aangelegenheid gedomineerd te worden door Nederlandse juristen. Ik mis in dezen de standpunten van de juristen (en niet juristen zoals ik) ‘sons and daughters of the soil’.
Ik stel nogmaals dat de toenmalige gouverneur, mr. Carl Grunning en mr. R. Koeyers het bij het verkeerde eind hadden. Ik heb indertijd in diverse ingezonden stukken de ingenomen standpunten van professor mr. F. Kunneman en mr. Karel Frielink ter discussie gesteld. Van Rijn en Rogier erkennen als het ware mijn stellingen door te stellen; ’wie van deze uitkomst in de toekomst geen herhaling wil zal een wijziging van de institutie moeten bewerkstelligen, die het alsnog wegsturen van een demissionair kabinet dat zijn ontslag al heeft aangeboden expliciet verbiedt’.
Het gaat hier namelijk niet slechts om het feit dat het ontslag is aangeboden. De gouverneur heeft namelijk zoals gewoonlijk het ontslag in beraad genomen en opdracht gegeven voor het houden van nieuwe verkiezingen zoals de wet voorschrijft. Gebruik is dat deze handeling van de gouverneur gezien wordt als het aanvaarden van de ontslagaanvrage van de regering (het kabinet). Om praktische redenen vraagt de gouverneur het kabinet onder andere hangende zaken af te blijven ronden. In feite heeft de gouverneur de eigen besluitneming en de gewoonte doorkruist door het aanstellen van een informateur/ formateur om over te gaan tot het vormen van een interim kabinet. Dit gedeelte kan best geïnterpreteerd worden met de wetshistorische interpretatiemethode. De ontstaansgeschiedenis van een wet speelt vaak ook een rol bij de interpretatie van wetten. Vandaar dat men spreekt van de wetshistorische interpretatiemethode. Hierbij kijkt men vooral naar de bedoeling en gewoontes dat de wetgever in acht neemt met de desbetreffende wet. Zoals u ziet kunnen de standpunten van van Rijn en Rogier, Jan Willem van Rossem, de adviescommissie Carl Gruning en R. Koeyers, niet als eindstation inzake deze kwestie beschouwd worden. De discussies rondom deze voor de toekomst van ons staatsbestel van belang zijnde aangelegenheid dienen dan ook in bredere lokale forum verder plaats te vinden.

Felix D. Pinedo
Curaçao

Advertentie

To Top

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *