Statenleden wijzen op discriminatie in Rijkswet

Rijkswet-op-het-Nederlanderschap-2003-2007-02

Statenleden wijzen op discriminatie in Rijkswet

DEN HAAG — Statenleden van Curaçao, Aruba en St. Maarten wezen leden van de Eerste en Tweede Kamer vandaag op de discriminerende werking van de Rijkswet op het Nederlanderschap, waarmee indirect ook het democratisch deficit aan de orde kwam tijdens het Interparlementair Koninkrijksoverleg.

De Rijkswet op het Nederlanderschap bevat de voorwaarden voor naturalisatie van buitenlanders die de Nederlandse nationaliteit willen. De laatste wijziging, waar de Tweede en Eerste Kamer zich nog over moeten uitspreken, betreft een toets voor de beheersing van de Nederlandse taal in aanvulling op het Papiaments en Engels.

PDR-Statenlid Andin Bikker van Aruba benadrukte dat er een uitzondering gemaakt moet worden voor inwoners van de drie landen in het Caribisch gebied, die het Nederlands immers onvoldoende beheersen. Hij kondigde daarom een amendement aan waarin die uitzondering omschreven is. Hij kreeg bijval van DP-Statenlid Roy Marlin van St. Maarten.

“Er zijn mensen die bijna hun hele leven op St. Maarten woonden en op het punt stonden om hun Nederlandse paspoort te krijgen, maar daar nu niet meer voor in aanmerking komen omdat ze die toets niet kunnen doen.”

Onafhankelijk Statenlid Glenn Sulvaran van Curaçao wees erop dat de vereiste om Nederlands te spreken ook in strijd is met een motie die de Tweede Kamer in 2010 aannam over de wenselijkheid om naast het Nederlands ook het Fries, Papiaments en Engels als officiële Koninkrijkstalen te erkennen en vast te leggen in het Statuut.

“Deze motie is bijna unaniem aangenomen. Alleen de PVV en Rita Verdonk stemden toen tegen. De Tweede Kamer kiest hierin een heel andere richting dan bij de Rijkswet”, aldus Sulvaran.

Consultatie

Namens de Nederlandse delegatie reageerde Eerste Kamerlid Nanneke Quik-Schuijt van de SP. Ze zei dat de inbreng van Statenleden uit de drie Caribische landen altijd op prijs wordt gesteld en ook wordt samengevat in de toelichting van alle wetsvoorstellen. Statenleden moeten dan echter wel van die mogelijkheid gebruikmaken.

“Die consultatie is er niet voor niets”, aldus Quik-Schuijt.

Volgens Bikker is het probleem echter dat de drie landen onvoldoende worden betrokken bij het hele wetgevingsproces.

“We maken graag gebruik van ons recht op amendement, maar dat kan alleen als we beter betrokken worden bij het wetgevingsproces. We ontvangen wetswijzigingen bijna als mededeling. Daarom stelden we ook voor om het Ipko gelijktijdig plaats te laten vinden met de behandeling van Rijkswetten”,

zei hij. Bikker sprak de hoop uit dat er ook werk wordt gemaakt van een motie van D66-Kamerlid Wassila Hachchi, die pleit voor een oplossing voor het democratisch deficit ofwel het gebrek aan invloed op beleid voor het Koninkrijk of controle van de Rijksministerraad. Dit wordt meegenomen bij besprekingen over de volgende edities van het Ipko.

Ook het wetsvoorstel voor de vestiging van Curaçaoënaars, Arubanen en Sintmaartenaren in Nederland kwam ter sprake. Initiatiefnemer André Bosman van de VVD benadrukte nogmaals dat hij eigenlijk voorstander is van een gezamenlijke Rijkswet Personenverkeer. Dat de andere landen hier weinig voor voelen, betekent echter niet dat Nederland niet eenzijdig met wetgeving kan komen die de instroming van kansarme jongeren beperkt, zei hij.

Roelof van Laar van de PvdA verzekerde de drie Caribische landen dat de bezwaren tegen de wet en ook de adviezen van bijvoorbeeld het College van de Rechten van de Mens meewegen bij het overleg over de wet.

“Ze wegen zo zwaar dat een heel groot deel van de Tweede Kamer ook echt moeite heeft met het huidige voorstel”, aldus Van Laar.

Bron: Amigoe

door onze correspondent

Otti Thomas

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *