Telegraaf | Nederland wist de weg met drugs

Teruglezen: Onderzoek naar ‘De Vergeten Geschiedenis’
Door Kees Roos en Sybilla Claus – 14 mei 1994

Nederlandse handelsbelangen, collectief geheugenverlies en vergeten geschiedenis

Wetenschap – “Collectief geheugenverlies,” noemt de Rotterdammer Marcel de Kort de ‘vergeten’ geschiedenis van onze vaderlandse drughandel en -produktie. Wie weet anno 1994 nog dat Nederland in de eerste helft van deze eeuw het centrum was van smokkel en handel in harddrugs en in één adem werd genoemd met Peru en Bolivia? Dat Nederland de grootste cocaïneproducent ter wereld was en de staat in de 19e eeuw honderden miljoenen guldens verdiende aan opiumhandel…?

“Eeuwenlang had Nederland grote belangen in de Opiumhandel, die indertijd nog legaal was. Vanuit Turkije werd de opium naar Nederlands-Indië vervoerd, waar vooral Chinese maar ook inheemse bewoners het spul verwerkten,” zegt historicus De Kort, die dit jaar aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit promoveert op de geschiedenis van het Nederlandse druggeld.

In 1878 brachten handelaren cocastruiken vanuit Zuid-Amerika naar Java, waar groter wordende plantages werden aangelegd. De Javacoca zou tot de beste van de wereld gaan behoren en de staatskas flink spekken. De Kort becijferde dat dit de staat tussen 1876 en 1915 meer dan ƒ 700 miljoen winst oplegde. Steeds meer Indiërs raakten verslaafd in de talloze opiumkitten die in elk dorp wel te vinden waren. In 1923 kende Nederlands-Indië maar liefst 172.703 geregistreerde opiumgebruikers. Nederland had het monopolie van import tot verkoop in de staatsopiumwinkels.

Lange tijd werd ook in Nederland de ernst van verslaving niet ingezien. De pijnstillende morfine was dè ontdekking van de 19e eeuw. „Artsen vonden dat een fantastisch middel en creëerden zo een nieuwe groep verslaafden. Toen rond 1850 de injectiespuit werd uitgevonden, was het hek van de dam. Gespoten was morfine nog effectiever.”

Historicus Marcel de Kort aan de Schinkelkade. Op de linkerhoek stond de Nederlands Cocaïne Fabriek, die de laatste jaren gebruikt werd als jongerencentrum. “Ons land had grote belangen in opiumhandel” | Foto Matty van Wijnbergen

Coca cola

Een enorme bloei was er vanaf 1875 in de zogenoemde specialité’s, vrij verkrijgbare middelen die voor allerlei kwaaltjes werden gebruikt. Wijn met coca en natuurlijk later coca cola werden wereldwijd populair.

In advertenties beloofde doctor Alvarez van de Zeedijk 16 te Amsterdam dat zijn cocabereidingen voor „de meest verrassende genezingen” zouden zorgen. Door het hele land had Alvarez depots. „Tyfus, cholera, geslachtsziekte, noem maar op. Overal hielpen die middeltjes tegen, en bijna overal zaten opiaten in. Dat ging soms weleens mis, zoals in 1927 toen er twee baby’s stierven aan een overdosis. Ze hadden te veel opiumstroop gedronken.”

Inmiddels was Nederland al uitgegroeid tot de grootste cocaïneproducent ter wereld, die naar allerlei landen exporteerde. In 1900 werd de Nederlandse Cocaïne Fabriek (NCF) opgericht, die begon aan de Schinkelkade in Amsterdam. Al snel groeide de NCF het pand uit en moest naar een grotere vestiging verhuizen.

„Ons land had aan het begin van de eeuw waarschijnlijk meer druggebruikers dan tegenwoordig,” stelt De Kort. „Maar alcoholisme was in die tijd hèt probleem. Dat waren de onruststokers. Opiumschuivers waren eigenlijk wel rustige figuren. Mede omdat verdovende middelen in die tijd niet duur waren en het normaal was verslaafden op recept drugs te verstrekken.”

Tussen 1907 en 1914 groeide de export van Javacoca van 200 naar ruim 1.300 ton. „Door de Eerste Wereldoorlog steeg de vraag naar verdovende middelen nog verder”, aldus Marcel de Kort.

Vrouwen verwerken cocabladeren in een stamploods op Java. FOTO: KONINKLIJK INSTITUUT VOOR DE TROPEN

Veel artsen, apothekers en verpleegkundigen waren ook verslaafd. In de archieven kwam De Kort in het jaar 1937 de keel-, neus- en oorarts dokter B. uit Rotterdam tegen: „Die was zelf verslaafd en schreef zijn patiënten voor van alles en nog wat cocaïne voor. Per jaar betrok hij bij diverse apotheken 2 kilo cocaïne. Eén apotheker uit de Maasstad viel op omdat hij elk jaar 1 kilo coke omzette. Ook hij en zijn vrouw bleken — verslaafde — patiënten van dokter B. Patiënten gebruikten de cocaïnespray soms wel 20 keer per dag; in vloeibare vorm was de fles zonder recept bij de apotheker weer bij te vullen.”

Handelsbelangen

Toch kwam er langzamerhand een stroming tegen het druggebruik op gang. Amerika probeerde de drughandel op wereldschaal aan te pakken en kreeg in 1909 voor het eerst een opiumcommissie bijeen. „Nederland wilde geen internationale regels, dat zou de handel maar belemmeren. De lage landen waren inmiddels de grootste drugdealer van Europa,” verklaart De Kort.

„Daarom heeft de overheid de internationale onderhandelingen jarenlang weten te vertragen. Tot grote ergernis van Amerika en de Volkenbond die ons vaderland in één adem noemden met Peru en Bolivia en ons zelfs in 1940 nog veroordeelde als een van de belangrijkste exporterende en producerende landen.”

In 1919 kwam onder internationale druk de Opiumwet tot stand. „Dat was geen strafwet maar meer een administratieve maatregel. Er mocht alleen met een vergunning geproduceerd worden”, zegt de historicus, om te vervolgen: „De handel kon zich mèt vergunning ongehinderd uitbreiden.” In 1928 werd de wet aangepast: De maximumstraf werd van drie maanden naar twee jaar verhoogd. Bovendien mocht er alleen voor medische doeleinden worden geproduceerd.

Lachend: „Natuurlijk wisten ze dat dit niet het geval was. De wereldproduktie was véél groter dan de medische behoefte; de wet was makkelijk te omzeilen èn te overtreden.” Er ontstond een levendige smokkel. In 1930 werden de eerste koffers met dubbele bodems ontdekt. Brandkasten vol coke, frauderende ambtenaren, een huisvrouw die in 1936 met een pond hasj op de Overtoom werd gearresteerd. „De wet kon, evenmin als nu, drughandel en -gebruik voorkomen,” concludeert De Kort dan ook.

Doordat handelaren vóór de wetswijziging van 1928 nog snel hun slag wilden slaan, werden ’27 en ’28 topjaren. Nog snel werd een voorraad van één miljoen kilo cocabladeren uit de pakhuizen verkocht.

Extractiebatterij voor cocabladeren in de Nederlandse Cocaïne Fabriek aan de Duivendrechtsekade. FOTO: ARCHIEFDIENST N.V. ORGANON-OSS

De Nederlandse Cocaïne Fabriek nam met 1.500 kilo in de jaren twintig zon 20% van de wereldproduktie voor zijn rekening. „Toen er in ’31 een quotum werd ingesteld van 300 kg per jaar, legde de fabriek zich toe op andere, legale drugs als heroïne, opium, morfine en novocaïne. Al snel beheerste de NCF tweederde van de Nederlandse markt. In 1941 ontwikkelde men er amfetamine (speed), vermoedelijk voor Duitse soldaten. De Duitsers op hun beurt ontwikkelden in ’43, toen er aan het front morfine-tekorten ontstonden, methadon. Adolphine noemden ze dat.”

In 1943 dreigde Amerika Indië niet te bevrijden als Nederland de opium daar niet zou verbieden. „Pas onder die zware druk gaf de overheid toe en kwam er een eind aan de buitenlandse handel.” Ook in het binnenland was het na de oorlog met de officiële handel snel gedaan. Alleen de NCF, die in ’75 opging in de Akzo, bleef nog met licentie cocaïne voor de geneeskunde produceren.

Bron: Telegraaf (via Delpher.nl, pagina 67)

 

Volkskrant | Compleet beeld van het omgaan met illegale drugs

Door Eric Hendriks – 14 maart 995

Compleet beeld van het omgaan met illegale drugs – Marcel de Kort

Op Kralingen werd flink geblowd. Oom agent keek toe in niet al te bizarre zogenaamde ‘popkleding’. Officieel was het beleid nog niet zo tolerant. De omslag kwam pas met het kabinet Den Uyl in 1976. Marcel de Kort promoveerde op de geschiedenis van het vaderlandse drugsbeleid.

Staatssecretaris R. Kruisinga van Volksgezondheid wist het precies in 1970 en hij zei het dan ook op de televisie. Journalisten en deskundigen doen niet anders dan drugsgebruik goedpraten, met name het roken van hasj en marihuana. De tolerantie in Nederland, doceerde de bewindsman, creëert proselieten.

Half Nederland greep naar de Van Dale na deze uitspraak. Zo vernam het volk wat bijbelvaste landgenoten al wisten: een proseliet is een (nieuwe) bekeerling. Aan almaar verse drugsgebruikers – en er kwamen veel blowers bij in die dagen – heeft bet vaderland geen behoefte, ook niet als het cannabis betreft. Want, aldus de staatssecretaris, dat is gevaarlijk sul: het voert naar de afgrond van de hard-drugsverslaving.

Kruisinga’s uitlatingen waren geruchtmakend, omdat hennepdrugs destijds in Nederland al wijd en zijd waren geaccepteerd.

In hetzelfde jaar 1970 bijvoorbeeld werden op het popfestival van Kralingen grote hoeveelheden cannabis (en illegale drugs) geconsumeerd 0nder het toeziend oog van oom agent, in zogenaamde ‘popkleding zonder daarbij al te bizar te zijn uitgedost’. In Paradiso en Fantasio in Amsterdam waren door de overheid gesubsidieerde drugstempels. Koos Zwart las op de radio de prijzen van hasj en wiet voor.

Drugs op popfestival Kralingen 1970  | Wim Ruigrok

Deze tolerantie liep vooruit op het beleid van de regering. die bleef aarzelen, hoewel vele politici en adviseurs, ook van proffesionele huize, onomwonden voor een soepeler regulering van hasj en marihuana pleitten. In Tussen patiënt en delinquent – Geschiedenis aan het Nederlandse drugsbeleid, het proefschrift hij eind vorig jaar promoveerde, geeft de historicus Marcel de Kort het moment aan waarop de officiële omslag kwam: de komst van het kabinet-Dan Uyl met lrene Vorrink, Koos Zwart’s moeder‚ als minister van Volksgezondheid.

Nou ja, omslag. In feite was de nieuwe opiumwet van 1976 niet zo baanbrekend als velen destijds hoopten. schrijft De Kort. Cannabis bleef in de strafwet, al werd het bezit van minder dan dertig gram een overtreding. Maar toch: Nederland maakte een wettelijk onderscheid tussen soft en hard drugs. Tot op heden wordt daarvan gegruwd in vele landen, officieel althans.

De vraag naar de oorsprong van de relatief onbekrompen Nederlandse hou-
ding houdt vooral de laatste jaren onderzoekers bezig. Wie bij zo’n studie het gedrag van de overheid onder de loep neemt, stuit onontkoombaar op steeds terugkerende discussies over meer of minder repressie. Dit debat loept dan ook als een rode draad door De Kort’s boek.

Het gebruik van andere drugs dan drank was aan het begin van deze eeuw nauwelijks aan de orde. Er waren opium schuivende Chinezen op Katendrecht, maar hun verslaving werd als een Aziatisch verschijnsel gezien en telde dus niet
mee. Verder waren er prostituees die cocaïne gebruikten en wat morfinisten. Volgens een telling uit 1930 waren er 45 drugsverslaafden in Nederland.

Opium werd pas verboden in 1919 toen de eerste Opiumwet werd aangenomen onder druk van de Verenigde Staten. De Amerikanen hadden drugs de oorlog verklaard – mede om de macht van de koloniale landen aan te tasten- en drongen voortdurend aan op repressie. Formeel stemde Nederland daarmee in, maar de bevoegde autoriteiten liepen niet erg hard. Binnenlands was er nauwelijks een verslaafdenprobleem. zo werd gesteld. en buitenlands (in Indië) was er de handel in opium en coca, waaraan het vaderland schatten verdiende.

Bovendien: vanaf het begin had de medische stand een dikke vinger in de pap en een sterke lobby in het Staatstoezicht op de Volksgezondheid. Voor deze belangengroep waren drugsgebruikers patiënten die behandeling door medici behoefden. Hoe dat moest was een zaak van de dokter, niet van de overheid en zeker niet van de politie, want streng optreden van die kant zou de zaak alleen maar erger maken.

Deze visie speelde een voorname rol in de talrijke interdepartementale discussies over het beleid, waarbij voorstanders van meer repressie (justitie) het moesten
opnemen tegen de ‘medici’, al dan niet gesteund door Buitenlandse Zaken, Koloniën en door het eigen” ministerie van Arbeid, dat ook de belangen van de legale binnenlandse drugsproducenten behartigde.

Niet dat de politie stilzat. Vooral door toedoen van de Rotterdamse hoofdcommissaris, de Chinezenhater A. Sirks, werd in de jaren twintig een professioneel bestrijdingsapparaat opgezet dat menig succes wist te boeken tegen drugshandelaren. Steevast werd daarbij – what else is new – geklaagd over de ongelijke strijd die dienders moesten voeren tegen goed uitgeruste smokkelaars, een gevecht van ‘de dienstfiets tegen de sportwagen’.

Toch bleef de Nederlandse aanpak tot de jaren zestig in hoofdzaak gericht op behandeling van verslaafden, op het voorkomen van hun criminalisering en marginalisering. Zo werd de basis gelegd voor de relatieve tolerantie. Door de opkomst van de heroïne, direct na de cannabisdiscussie, werd die verdraagzaamheid zwaar op de proef gesteld. Maar die periode valt grotendeels buiten het bestek van De Kort’s boek.

De auteur is erin geslaagd een compleet beeld te geven van de omgang van de Nederlandse autoriteiten reet illegale drugs tussen 1919 en 1976. Zijn vlot leesbare stijl maakt het taaie onderwerp goed toegankelijk. Spijtig is dat door zijn hang naar volledigheid passages elkaar nogal eens overlappen. Jammer is ook dat analyses van het drankbeleid ontbreken: die hadden het verhaal meer reliëf kunnen verschaffen.

De Kort’s boek is rijk aan feiten en arm aan loodzware theorievorming. die andere studies op dit terrein nogal eens belast. De schrijver trekt wel conclusies en die stemmen niet vrolijk. Hoewel Nederland altijd heeft gepoogd drugsverslaafden buiten de sfeer van de misdaad te houden, pendelen junks in deze tijd steeds tussen justitiële sector en hulpverlening. Ze zijn zowel delinquent als patiënt geworden. Het is tragisch, besluit De Kort, dat Nederland ondanks de goede bedoelingen is opgezadeld met een bijna onoverkomelijk probleem.

Marcel de Kort: Tussen patiënt en delinquent – Geschiedenis van het Nederlandse drugsbeleid.
Verloren; f 58,-
ISBN 90 6550 420 6

Bron: Volksrant

De Volkskrant | Goede kwaliteit Nederwiet is juist argument vóór legalisering

Marcel de Kort – 21 augustus 1992

Goede kwaliteit Nederwiet is juist argument vóór legalisering

BEGIN deze week pleitte de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) opnieuw voor een strengere aanpak van de hennepkwekerijen. Eerder dit jaar drong de CRI hier al in zijn jaarverslag op aan. Deze volharding van de CRI is vermoedelijk geen toeval. Dit najaar vereren inspecteurs van de International Narcotics Control Board van de Verenigde Naties, Nederland met een bezoek om ons drugsbeleid door te lichten.

En het mag inmiddels als bekend worden verondersteld dat in het buitenland er nogal wat kritiek bestaat op de lankmoedigheid’ van het Nederlandse drugsbeleid. Toch is het zeer de vraag of de weg die de CRI wil inslaan ergens toe leidt. De geschiedenis lijkt zich als het om het drugsbeleid gaat voortdurend te herhalen. Met vrijwel dezelfde argumenten worden diametraal tegen over elkaar staande standpunten ingenomen. Zo het de topambtenaar R. J. Samsom van het ministerie van WVC begin juli weten dat legalisatie van de hennepteelt de enige oplossing is om het onderscheid tussen soft- en harddrugs te kunnen handhaven. Waar de ene partij kiest voor repressie, beweert de andere dat alleen verdergaande liberalisatie de kwaliteit van het Nederlandse drugsbeleid overeind houdt.

Het merkwaardige van deze discussie is dat het lijkt alsof er niets met zekerheid is vast te stellen. Dat is echter geenszins het geval. Boven aan de lijst van discussiepunten stonden twintig jaar geleden twee onderwerpen. Ten eerste werd de vraag gesteld of het roken van een stickie onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid met zich meebracht en, ten tweede, of het consumeren van hasj en marihuana zou leiden tot het gebruik van harddrugs (de zogenaamde stepping stone-hypothese). Er zijn inmiddels maar weinig stoffen te bedenken die zo grondig op hun mogelijke schadelijke werking zijn onderzocht als cannabis.

De conclusie is dan ook meer dan duidelijk: natuurlijk is het gebruik van soft drugs niet geheel onschadelijk, maar vergeleken met andere in onze cultuur aanvaarde drugs is een verbod schadelijker voor de gebruiker dan het middel zelf. Ook de nadelige gevolgen van langdurig gebruik zijn te verwaarlozen.

De stepping stone-hypothese heeft alleen maar enige geldigheid wanneer zowel cannabis als hard drugs in eenzelfde strafrechtelijk verbod zijn ondergebracht. Het onderscheid tussen soft en hard drugs dat door de wetswijziging van 1976 is bewerkstelligd, heeft er in belangrijke mate toe bijgedragen dat voor de verschillende drugs gescheiden markten zijn gecreëerd. Bij de voorbereiding van de wijziging van de Opiumwet in de jaren zeventig was men op de ministeries van Justitie en Volksgezondheid er zelfs van overtuigd dat de Opiumwet voor cannabis niet een geëigend beleidsinstrument was. Toch ging men niet tot legalisering over. Een onoverkomelijk bezwaar vormde de gebondenheid aan internationale verdragen, met name het Enkelvoudig Verdrag uit 1961. Talloze pogingen om mazen in dit verdrag te vinden werden in Den Haag ondernomen, echter met weinig resultaat.

Naast de grote angst die in Nederland bestond voor hevige kritiek uit het buitenland op legalisering, was er toen ook een praktisch probleem. Hoe kon Nederland voldoende cannabis legaal invoeren wanneer dit in het buitenland een streng verboden stof zou blijven? De kwaliteit van de Nederwiet was toen dermate slecht dat import van buitenlandse hennepprodukten noodzakelijk was. Dit argument tegen legalisering is inmiddels volledig achterhaald, zoals de uitkomsten van het onderzoek van het Gerechtelijk Laboratorium in opdracht van de CRI deze week nog eens heeft onderstreept.

De kwaliteit van het Nederlandse produkt is superieur en heeft een aanzienlijk marktaandeel in de coffeeshops weten te veroveren. Nederland kan gemakkelijk in zijn eigen cannabisbehoefte voorzien. Blijft over het Enkelvoudig Verdrag uit 1961 en de daaruit voortkomende angst voor buitenlandse kritiek. Dit verdrag is overigens gestoeld op oudere verdragen uit het begin van deze eeuw. Inderdaad zou volledige legalisering daarmee in strijd zijn en veel kritiek uitlokken. We moeten ons echter de vraag stellen of we uitsluitend om wille van een ruim dertig jaar oud verdrag, dat gestoeld is op ideeën van voor de Tweede Wereldoorlog, cannabis in de Opiumwet moeten houden.

Er is in ieder geval een belangrijk beleidsmatig argument voor legalisering. Het strafrechtelijk verbod op soft drugs staat een effectief en verantwoord beleid in de weg. Er is wel degelijk behoefte, zoals onlangs nog werd onderstreept door de directeur van het Amsterdamse Jellinekcentrum, aan reglementering en controle op het gebied van produktie, groothandel, detailhandel en kwaliteit. De Opiumwet vormt hiervoor een belemmering; iets wat volledig verboden is, kan moeilijk met andere beleidsinstrumenten worden gereglementeerd. Wat er precies gebeurt in de hennepkwekerijen, op het gebied van de groothandel en in de coffeeshops wordt door het verbod aan het zicht onttrokken.

Juist legalisering geeft meer mogelijkheden tot beheersing en kanalisering, zoals bijvoorbeeld een kwaliteitscontrole door middel van de warenwet, een vestigingsbeleid voor coffeeshops en heffing van accijnzen. Ten slotte, wat kunnen we verwachten als we het pleidooi van de CRI voor een strengere repressieve aanpak van de hennepteelt opvolgen? Het is duidelijk dat door meer repressie de structuur van de softdrugshandel zal veranderen. De professionalisering van de produktie waarvoor de CRI nu al bevreesd is, zal dan nog sterker worden en kenmerken gaan vertonen van mafia-achtige organisaties die een bedreiging voor de legale economie gaan vormen.

In een toekomstig jaarverslag zal de CRI vervolgens ongetwijfeld pleiten voor meer bevoegdheden en middelen om deze vorm van georganiseerde misdaad effectief te bestrijden. Enzovoort, enzovoort. Het aardige van het Nederlandse drugsbeleid is nu juist dat het nooit in deze spiraal terecht is gekomen. Om dat zo te houden moeten we dus niet de weg inslaan die de CRI nu voorstelt, maar ons juist in de tegenovergestelde richting van legalisering bewegen.

Marcel de Kort is verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Bron: Volkskrant

NRC | NV De Witte Waan

De geschiedenis van de Nederlandsche Cocaïnefabriek
Dirk Korf & Marcel de Kort – 13 mei 1989

NRC | NV de Witte Waan – Marcel de Kort

Colombia is het land waar tegenwoordig de illegale cocaïne voor de Amerikaanse en Europese markt vandaan komt. Maar tot in de jaren dertig was het vooral Nederland dat de wereld van het geestverruimende middel voorzag. De Nederlandse cocaïnebaronnen konden zich de grootste producenten ter wereld noemen.

Pas in 1975 kwam officieel een eind aan de geschiedenis van de nv Nederlandsche Cocaïnefabriek. We schrijven 1870 als op de Amsterdamse Zeedijk het hoofddepot is gevestigd van het cocaïnefabriekje van Doctor José Alvarez. In de Geneeskundige Courant adverteert hij met zijn wondermiddelen. ‘De meest verrassende genezingen bij alle hals-, borst- en longziekten, zoals verkoudheden, astmatische toevallen, kleine zweeren aan de long, zelfs wanneer laatstgenoemde reeds in hoogen graad aanwezig zijn, worden verkregen door de coca -bereidingen van doctor José Alvarez.’

Geneesmiddelen met cocaïne, vermoedelijk voor het eerst in 1859 door de Duitser Albert Niemann uit het cocablad geïsoleerd, of andere produkten van de cocaplant waren zeer populair en gewoon bij apotheek, drogist of kruidenier te koop. Onze voorouders zullen dan ook met regelmaat deze middeltjes genuttigd hebben tegen allerlei pijntjes en neerslachtigheid.

Uit een in 1987 door het Instituut voor Sociale Geografie van de Universiteit van Amsterdam gehouden onderzoek onder bijna 4400 Amsterdammers van twaalf jaar en ouder bleek, dat 5,6% wel eens cocaïne had gebruikt. Slechts 1,6% had dit het laatste jaar gedaan en 0,6% de afgelopen maand. Een eeuw geleden zou een dergelijk onderzoek veel hogere cijfers hebben opgeleverd. Middeltjes met coca of cocaïne waren ruimschoots voorhanden en goedkoop. Daar komt nog bij dat er op het gebruik van het witte poeder geen taboe rustte. Cocaïne werd toen niet beschouwd als de ‘witte sloper’, die de huidige drugsvoorlichters ervan gemaakt hebben. Integendeel, het was alleen maar goed voor de gezondheid. Cocaïne werd als anestheticum in de oog- en tandheelkunde toegepast, maar ook gebruikt bij ontwenningstherapieën voor morfineverslaafden. Het excessief injecteren van morfine werd namelijk tegen het einde van de negentiende eeuw in de ogen van de artsen steeds meer als een probleem beschouwd. Deze cocaïnetherapieën waren weinig succesvol. Een onbedoeld effect ervan was het ontstaan van wat we nu polydrugsgebruikers noemen: de morphinococaïnisten, die zowel morfine als cocaïne spoten.

Drugsverslaving kwam wel degelijk voor, en vermoedelijk op grotere schaal dan nu het geval is, maar leidde niet tot grote maatschappelijke onrust of sterke bezorgdheid bij de medici. Rond en na de eeuwwisseling maakten de Nederlanders zich veel meer zorgen over de verslaving aan alcohol. Men hield vurige betogen voor het aan banden leggen of zelfs geheel verbieden van de verkoop van alcohol.

Handelsgeest

De snel stijgende populariteit van de in Peru en Bolivia groeiende cocaplant ging niet aan de Nederlandse handelsgeest voorbij. In 1878 werden de eerste cocastruiken vanuit Zuid-Amerika naar de Hortus Botanicus in Buitenzorg op Java gebracht. Kort daarop werd gestart met het verbouwen van het gewas voor commerciële doeleinden op Java, Madoera en, in mindere mate, op Sumatra. Vooral de Koloniale Bank in Amsterdam speelde een belangrijke rol in de cocaproduktie en -handel.

Uit de jaarverslagen van deze onderneming blijkt dat al in 1891 bijna twintig ton bladeren verhandeld werd. Gedurende de daarop volgende jaren tot aan de eeuwwisseling verhandelde de Koloniale Bank jaarlijks tussen de 34 en 81 ton cocabladeren. In eerste instantie werden deze partijen coca vooral naar Duitsland geëxporteerd. Door de groeiende vraag naar cocaïne en de stijgende produktie van coca op Java, zag de Koloniale Bank ook brood in de eigen fabricage van cocaïne. Daarom richtte zij in 1900 de Nederlandsche Cocaïnefabriek op. Het eerste fabriekspand werd gebouwd aan de hoofdstedelijke Schinkelkade.

In het begin had de fabriek de omvang van een proefbedrijf. Het kantoor was gevestigd in een voorkamer van een belendend perceel en het laboratorium was ondergebracht in de achterkamer en keuken. Al spoedig bleek dat de geproduceerde cocaïne van uitstekende kwaliteit was en kon concurreren met de Duitse. De produktiecapaciteit werd snel vergroot. Het ruimteprobleem werd zo nijpend, dat al in januari 1902 een ontwerp voor uitbreiding werd ingediend. Een maand later verleende b& W toestemming. Aanvankelijk was Javacoca niet van bijzonder goede kwaliteit. In 1890 werd het eerste partijtje op de Londense markt gebracht en een jaar later werd 18.000 kg cocablad uit Java op de Amsterdamse markt geveild.

De kwaliteit liet dusdanig te wensen over, dat bij de openbare verkoop in 1892 niemand de aangevoerde Javacoca kocht. Enkele jaren later overtrof Javacoca de kwaliteit van het Peruaanse cocablad. De cocastruik groeide uitstekend op Java, en er was voldoende vraag voor extra aanplant. Al na een jaar kon men met oogsten beginnen. Na vier a vijf jaar bereikte de cocastruik zijn volle omvang en bleef langer dan twintig jaar leven. Ook na aftrek van de kosten voor het zeetransport bleef de cocacultuur op Java financieel een aantrekkelijke onderneming.

Gestage groei

De export steeg van 200 ton coca in 1907 naar ruim 1300 ton in 1914. Het Javaanse cocablad werd een geduchte concurrent van het Peruaanse. Rond 1910 nam Amsterdam de positie van wereldhandelsplaats over van Hamburg, waar de cocabladeren uit Peru gelost werden. Het aantal ondernemingen en plantages dat zich met de cocahandel bezighield, groeide gestaag. Men besteedde veel zorg aan verpakking en vervoer en onderlinge afspraken verstevigden Je positie van de Javacoca op de wereldmarkt.

Deze afspraken kregen, een officieel karakter toen in 1925 de Coca-producenten Vereeniging werd opgericht, een samenwerkingsverband van importeurs en producenten van cocabladeren. Na 1928 begon de klad de komen in de cocahandel. Ondanks een vermindering van de aanplant op Java groeiden de voorraden in de Amsterdamse pakhuizen. De uit Peru afkomstige coca werd een steeds grotere concurrent.

Een tweede, belangrijkere, oorzaak voor de teruggang in de cocahandel na 1928 vormden de strenger wordende wettelijke regelingen. Als vervolg op de internationale opiumconferentie in Den Haag in 1911-1912 werd in 1919 de Nederlandse Opiumwet van kracht.

Op aandrang van de Verenigde Staten werd naast opiaten ook cocaïne in het verdrag van deze conferentie opgenomen. In Amerika had het snuiven – en, in mindere mate, spuiten – van de drug inmiddels gigantische vormen aangenomen. Zolang het gebruikt werd om de arbeidsproduktiviteit van bijvoorbeeld de mijnwerkers te vergroten, maakte men zich nog geen zorgen.

Problematisch werd het toen er allerlei mythes over de cocaïneconsumptie onder de zwarte bevolking de wereld ingebracht werden. Zo zouden zwarte cocaïnegebruikers onkwetsbaar zijn voor kogels uit de politierevolvers. De Nederlandse Opiumwet van 1919 bepaalde dat cocaïne alleen nog maar geproduceerd mocht worden door bedrijven met een vergunning. Voor de cocaïnehandel was dit niet zo bezwaarlijk. Veel bedrijven, waaronder ook de Nederlandsche Cocaïnefabriek, kregen zonder problemen een dergelijke vergunning. Maar na de herziening van de Opiumwet in 1928 mochten de cocaïnehandelaren alleen cocaïne leveren voor geneeskundige doeleinden. Vanaf dat moment konden ook de bedrijven met een vergunning het witte poeder officieel niet meer als genotmiddel verhandelen.

Volgens de cocahandelaren en de cocaïneproducenten werd hun produkt alleen voor de geneeskunde geproduceerd. Deze bewering moet echter naar het rijk der fabelen verwezen worden. De wereldproduktie aan cocaïne was veel groter dan de vraag van de geneeskunde. Er waren ruimschoots mogelijkheden om de wettelijke voorschriften te omzeilen. Slechts enkele landen hadden aan de Opiumconferentie in Den Haag deelgenomen en in het grootste deel van de wereld kon er vrij gehandeld worden in opium- en cocaprodukten.

Epidemisch

De cocaïne voor recreatief gebruik werd in die tijd ook via de medische kanalen in omloop gebracht. Hierdoor leek de geneeskundige behoefte veel groter dan zij in werkelijkheid was. De decadente wereldsteden Parijs, Berlijn en New York stonden bekend om hun cocaïnescene. Volgens ‘De Telegraaf van 14 januari 1913 had het snuiven van cocaïne onder de prostituées van Montmartre, ‘de schoone horizontales,’ epidemische vormen aangenomen, evenals onder de kunstenaars, schrijvers en andere personen die het nachtleven frequenteerden. Maar ook ‘de krachtfiguren, de gardekolonels die zich vóór de parade ‘n klein prikje vuur injecteerden.’

Hoeveel er in Nederland werd gesnoven, is niet bekend. Naar de mening van de Telegraaf-journalist viel de situatie in ons land, vergeleken met Frankrijk, wel mee. Het Pharmaceutisch Weekblad meldt in 1922 echter dat opiumgebruik in Nederland weliswaar slechts sporadisch voorkomt, maar ‘met een snufje cocaïne moge het iets vlotter loopen.’

De opiumwetgeving had de legale verkoop van cocaïne voor recreatief gebruik aan banden gelegd, waardoor de fabrikanten van de drug hun afzet zagen slinken. Coca en cocaïne werden niet meer gezien als goedwerkende middeltjes, die bij wijze van spreken op iedere straathoek verkocht werden. Het werden verdovende middelen, die, behalve als ze van de dokter kwamen, een gevaar voor de volksgezondheid betekenden. De coca-bereidingen van doctor José Alvarez werden in de jaren twintig gevaarlijke, verboden drugs.

Na 1928 kreeg de Coca-producenten Vereeniging dan ook met toenemende afzetproblemen te kampen. 1927 en 1928 waren topjaren, omdat de handelaren en fabrikanten nog wilden profiteren van de vrijheid, die zij na de invoering van het vergunningenstelsel zouden kwijtraken. De voorraden in de Amsterdamse pakhuizen werden bijna geheel verkocht. Vanuit Nederland werd in 1928 nog snel bijna één miljoen kilo cocabladeren geëxporteerd. Na deze topjaren zakte de markt snel in. Bovendien werd de Javacoca in toenemende mate direct naar Duitsland, de Verenigde Staten, Japan, Engeland en Frankrijk getransporteerd. Amsterdam werd daardoor als plaats van doorvoer of bewerking minder belangrijk. Het ledental en de omzet van de vereniging daalden dan ook sterk.

De Tweede Wereldoorlog versnelde het aftakelingsproces en na 1945 werd er nauwelijks meer coca verhandeld. In 1950 werd de Coca-producenten Vereeniging tenslotte opgeheven.

Groei in oorlog

De Nederlandsche Cocaïnefabriek had meer succes. Na de uitbreiding in 1902 bleef de produktie stijgen, zodat men zich rond 1910 de grootste cocaïnefabriek ter wereld kon noemen. Door dit succes was de fabriek in 1910 al uit haar behuizing aan de Schinkelkade gegroeid en had een nieuw pand aan de Duivendrechtsekade, eveneens in Amsterdam, betrokken. Vooral gedurende de Eerste Wereldoorlog maakte de fabriek een enorme groei door. Het oorlogsgeweld deed de vraag tot ongekende hoogte stijgen en concurrenten zagen hun aanvoerlijnen afgesloten. In de geneeskunde werd cocaïne vanaf de jaren twintig minder belangrijk. Medici gaven de voorkeur aan andere middelen, zoals novocaïne, een soort synthetische cocaïne. Novocaïne was al veel eerder ontdekt, maar de commerciële produktie werd pas na de wettelijke inperkingen van de cocaïnehandel aantrekkelijk. De Nederlandsche Cocaïnefabriek speelde handig in op de veranderingen in de wetgeving en startte in 1921 met de fabricage van novocaïne.

Elf jaar later werden ook nog opiaten, zoals morfine, codeïne en heroïne, aan het assortiment toegevoegd. Deze omschakeling legde de fabriek geen windeieren; nog voor de Tweede Wereldoorlog beheerste de fabriek tweederde van de Nederlandse markt voor opiaten. In 1941 werd begonnen met het vervaardigen van amfetamine, een synthetisch pepmiddel dat sinds 1976 ook onder de Opiumwet valt.

Het produceren van ‘hard drugs’ was en bleef de specialiteit van de Nederlandsche Cocaïnefabriek. Ook na de oorlog bleek de fabriek een kerngezond bedrijf. Cocaïne was niet zo belangrijk meer, maar toch werden nog vele jaren lang partijen coca uit Nederlands-Indië en later Indonesië geïmporteerd om in Amsterdam tot cocaïne verwerkt te worden. De cocaïnefabriek had een licentie voor geneeskundige doeleinden. Tot oktober 1972 was de Nederlandsche Cocaïnefabriek een naamloze vennootschap. De doelstelling was allang veel breder dan ‘het vervaardigen van chemische producten, in hoofdzaak cocaïnum hydrochloricum en bijproducten en de verkoop daarvan.’In maart 1975 werd de naam gewijzigd in ncf Holding BV., met Akzo als moedermaatschappij.

Omstreeks die tijd werd in de Verenigde Staten melding gemaakt van een schrikbarende toename van het aantal cocaïnegebruikers. Cocaïne werd een te beladen term om nog in de naam van de fabriek te gebruiken. De trots waarmee aan het begin van de eeuw werd uitgeroepen dat Nederland de grootste en beste cocaïneproducent ter wereld was, kon in 1975 maar beter vergeten worden.

Bron: NRC

Trouw | Hollanders lang zelf harddrugsproducent

door Sybilla Claus – 31 januari 2007

Afghaanse boeren blijven, met Nederlandse gedoogsteun, papaver verbouwen. Niet voor het eerst is Nederland betrokken bij de productie van harddrugs. Lang verdiende de schatkist veel aan de opiumhandel.

Sinds de zeventiende de eeuw vervoerde Nederland legaal opium vanuit Turkije en het toenmalige Bengalen naar Nederlands-Indië, waar vooral Chinese maar ook inheemse bewoners het spul rookten. In 1878 brachten handelaren coca-struiken vanuit Zuid-Amerika naar Java, waar steeds groter wordende plantages werden aangelegd. Deze Java-coca zou tot de beste van de wereld gaan behoren en de staatskas flink spekken.

Historicus Marcel de Kort promoveerde in 1994 aan de Erasmusuniversiteit op de geschiedenis van het Nederlandse drugsbeleid. Hij becijferde dat de coca- en opiumhandel de staat tussen 1876 en 1915 meer dan 700 miljoen gulden opleverde.

Steeds meer Indiërs raakten verslaafd in opiumkitten, die in vrijwel elk dorp te vinden waren. In 1923 kende Nederlands-Indië maar liefst 172.703 geregistreerde opiumgebruikers. Nederland had het monopolie, van import tot verkoop in staatsopiumwinkels. Cocaïne werd in Nederland zelf verwerkt in allerlei semi-medische middeltjes.

In 1900 werd de Nederlandse Cocaïnefabriek (NCF) opgericht, die begon aan de Schinkelkade in Amsterdam. „Het was de grootste en beste cocaïnefabriek ter wereld, aldus de eigen trotse reclame”, zei De Kort daarover. Nederland groeide uit tot de grootste cocaïneproducent ter wereld. Tussen 1907 en 1914 groeide de export van Java-coca van 200 naar 1300 ton. „Door de Eerste Wereldoorlog steeg de vraag naar verdovende middelen nog verder.”

Toch was rond de eeuwwisseling wel het besef aan het ontstaan dat harddrugs geen medicijn zijn. De Kort: „Ons land had destijds waarschijnlijk meer druggebruikers dan tegenwoordig”. In 1927 stierven twee baby’s aan een overdosis omdat ze te veel opiumstroop dronken.

De VS voerden destijds al een oorlog tegen drugs. Nederlands grote opium- en cocaïnehandel was hen een doorn in het oog. „Maar Nederland wilde geen internationale regels, die de handel zouden belemmeren”, wist De Kort uit de archieven naar boven te halen.

De winst nam alleen maar toe en in 1914 was Nederland de grootste drugsdealer van Europa geworden. „Daarom heeft de overheid de internationale verdragen jarenlang weten te vertragen.” In de jaren twintig leverde de Cocaïnefabriek in Amsterdam 20 procent van de wereldproductie.

Amerika en de Volkenbond, de voorloper van de VN, ergerden zich groen en geel. In 1940 veroordeelde de Volkenbond Nederland als een van de belangrijkste producerende en exporterende landen.

In 1943 dreigden de VS Indië niet te bevrijden als Nederland daar de opium niet zou verbieden. Pas onder deze zware druk ging de regering overstag en kwam er een eind aan de officiële handel. De NCF bleef nog met licentie cocaïne produceren voor de geneeskunde, en ging in 1975 op in Akzo.

Tegenwoordig is Nederland berucht vanwege de grote xtc-productie en de gedoogstatus van hasj. En dan is er nog de ’vergeten’ handel in harddrugs. Is de cirkel rond als een Nederlandse minister de Afghaanse overheid opdraagt de papaverteelt te beschermen? Voor de kwade Amerikanen vast wel. Misschien is voor Nederland de cirkel pas rond, als heroïne van die Afghaanse papaverteelt straks de Rotterdamse haven binnenvaart.

Bron: Trouw

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *