Van Malpais tot Wechi

Het landhuis staat er nu triest bij. FOTO’S ANTILLIAANS DAGBLAD

Het landhuis staat er nu triest bij. FOTO’S ANTILLIAANS DAGBLAD

De gronden van de plantages Daniel, St. Joris alias Siberie, Meiberg, Grote en Kleine Berg, Groot en Klein Malpais alias Mount Pleasant (nu weer bekend als de plantage Malpais), Weitje en Papaya maakten aan het eind van de 17e eeuw deel uit van een groot terrein met de naam Malpais (slechte grond), eigendom van de West-Indische Compagnie. Aan het begin van de 18e eeuw werd dit terrein steeds meer opgesplitst in particuliere plantages.

De plantage Weitje of Wechi zoals wij die nu kennen, is in de 18e eeuw ontstaan door het samenvoegen van verschillende percelen of stukken grond. Zo kocht Frans Grotenstam op 24 mei 1718 een perceel uit de boedel van wijlen Elisabeth Oomheer. Van Elisabeth Grotenstam, weduwe van Ebbe Wijmers, kocht hij op 9 september 1735 voor 2.500 pesos een plantage bestaande uit twee percelen. Hij voegde alle terreinen samen tot een plantage met ‘opstal van huysingen, privilegien van schape- en geyte coralen’ (OAC804B:335).

Deze plantage kreeg de naam (Klein) Malpais. Algemeen wordt aangenomen dat de alias Weitje een verbastering is van een voormalige eigenaar Wijt Timmer. Er is echter geen enkele transportakte gevonden waaruit zou blijken dat deze Wijt Timmer eigenaar is geweest van Klein Malpais. Hij was wel rond het midden van de 18e eeuw eigenaar van de plantage Malpais alias Daniel.

Frans Grotenstam is in 1775 reeds overleden; in dat jaar worden enkele slaven uit zijn boedel vrijgemaakt. Vermoedelijk via vererving of schenking komt de plantage in handen van Frans Grootenstam van Uytrecht. Hij is gehuwd met Maria van Groot Davelaar.

Na zijn dood koopt haar grootvader Gerrard Striddels in het voorjaar van 1783 de plantage op een publieke veiling. In de rooibrief en transportakte wordt uitdrukkelijk vastgelegd dat de compagnie’s put ten oosten van de vrije weg niet binnen de gronden van de plantage valt.

Striddels was koopman en kapitein van de burgerij. Hij was eigenaar van onder andere de bark ‘De Twee Gebroeders’ en bezat ook veel onroerend goed, zoals een huis aan het Molenplein (thans politiebureau), de plantages Pannekoek, San Juan en Malpais alias Terburg a Texel.

Tevens erfde hij in 1783 de plantage Groot en Klein Malpais (Mount Pleasant), die hij echter meteen weer verkocht. In september van dat jaar kocht hij op een publieke veiling voor 1.800 pesos het ‘canoekje’- Rustplaats met inventaris van de kooplieden Jutting & Reuvenhagen.

Dit stuk grond grensde aan Klein Malpais en zou daarna met deze plantage worden samengevoegd. Bij Rustplaats behoorde ook een stuk grond, waarvoor de eigenaar zes pesos en zes realen aan ‘geregtigheeden’ aan de West- Indische Compagnie diende te betalen.

In 1844 werd de toenmalige eigenaar vrijgesteld van verdere betaling van deze belasting. Omdat hij regelmatig voor zaken naar Holland moest, machtigde hij Adriaan Webb om al zijn plantages te verkopen. Jan Teubner was wel geïnteresseerd in de plantage Klein Malpais met Rustplaats.

Op 13 augustus 1784 werd hij voor 6.800 pesos eigenaar van Klein Malpais en Rustplaats met op beide stukken grond een ‘opstal van huijsingen’. Tussen Malpais en Rustplaats lag een vrije patrouilleweg en ten oosten van deze weg de al eerder genoemde compagnies’ put. Teubner kocht ook de inventaris, bestaande uit de negers Fransje, Tapiila en Fransico en de negerin Agatha, 205 schapen, 12 koeien, 18 kalveren, twee vluchten duiven, 4 ossen, een stier en 8 ezels, een partij tuingereedschappen, een partij huisraad en 1000 schepels mais.

Na zijn dood kwam de plantage in handen van zijn zoon Johannes, die Klein Malpais en Rustplaats in februari 1805 met Willem van der Dijs ruilde tegen de plantage Gerustheid (Kas Chikitu). Van der Dijs handelde als voogd over zijn minderjarige zoon Matthias Erasmus. Van der Dijs betaalde 6.000 pesos voor beide terreinen, Teubner 3.000 pesos voor Kas Chikitu.

Tot de inventaris van Klein Malpais, die bij de koop was inbegrepen, behoorden onder andere 12 slaven, 100 schapen, 150 geiten, 2 rijpaarden, 2 merries, 6 ezels, een vlucht duiven en 50 hoenders. De inmiddels meerderjarige Matthias van der Dijs verkocht in november 1812 Klein Malpais en Rustplaats inclusief de inventaris aan Christoph Gotlieb Fredrik Hoyer voor 9.000 pesos. De waarde van de grond met opstallen was ten opzichte van 1805 verdubbeld tot 7.343 pesos. Er werden ditmaal geen slaven mee verkocht, maar wel 200 schapen, 15 koeien, 150 geiten, 8 ezels, een paard, 2 merries, 30 hoenders, 16 eenden, 26 kalkoenen, een vlucht duiven, een ezelskar, een manszadel, een ‘vrije zadel’, een spiegel met vergulde lijst en mahoniehouten bord, 12 mahoniehouten stoelen, een staande ‘horologie’, 2 mahoniehouten tafels, een vurenhouten ‘pottebank’ met pot (een houten tafel met daarop een aardewerken pot voor drinkwater), een vurenhouten etenskast en tuingereedschappen.

Hoyer kocht daarna de nodige slaven om de plantage te bewerken. In 1828 bezat hij in totaal 28 slaven. Tien jaar eerder had Hoyer vergunning gekregen van de toenmalige gouverneur Albert Kikkert om een stuk grond dat aan de noordzijde aan zijn plantage grensde, te mogen omheinen en bij Klein Malpais te trekken

‘ten einde zoo door hem als door de genen die na hem in het bezit van gem. plantagie Klein Malpais mogte geraken, daarvan zoodanig gebruik te maken als van hetzelve zoude kunnen gemaakt worden zonder tegenzegging van iemand hoegenaamd, mits daarvoor jaarlijks aan ’s lands kas de som van 5 pesos van agten betalende’.

Het bewuste stuk grond, dat volgens de rooimeester maar voor de helft geschikt was om te beplanten en waarvan de andere helft bestond uit schrale, onvruchtbare heuvels, lag verder ten zuiden van de plantage Bon Pais (Souax), hiervan gescheiden door de publieke weg naar Banda’Bou.

Ook de afmetingen van dit stuk grond wordt in de akte vermeld: ‘breed oostwaards van het noorden naar het zuiden 332 voeten (106 meter), westwaards van ZZO tot NNW 500 voeten(160 meter), zuidwaards van Oost tot West 674 voeten (215 meer), noordwaarts van OZO tot WNW 958 voeten (305 meter), alles Rijnlandse maat’.

Hoyer bezat nog een plantage: Weltevreden alias Papaya. Dit was een afsplitsing van de plantage Malpais alias Terburg a Texel. De laatste lag ten noorden van de plantage Groot en Klein Malpais (alias Mount Pleasant) en nabij Grote Berg en bestond oorspronkelijk uit drie percelen.

Twee daarvan lagen bezuiden de weg naar Westpunt, het derde perceel ten noorden van deze weg en ten westen van de plantage Gato ‘toebehorende aan wed. Rasveldt, in oud bewijs en vervallene trankeer met een vrije gang tusschen voornoemde plantage Gatoe en het stuk getaxeerde gronde’. Het grote aantal plantages en tuinen met de naam Malpais in dat gebied zorgt nog steeds voor verwarring, zoals onlangs nog bleek uit enkele claims op Wechi door nazaten van de vrijgegeven slaven van weduwe Rasveldt.

Klein Malpais is vroeger onderdeel van Gato zijn geweest, aldus deze claims. Maar vanaf 1812, hetzelfde jaar waarin de plantage Gato eigendom werd van de dertien vrijgegeven slaven van de weduwe Rasveldt, kwam de plantage Klein Malpais in handen van de familie Hoyer en zou daarna bijna twee eeuwen eigendom blijven van deze familie.

Ook uit belastinglijsten en bevolkingsstaten uit de 19e eeuw blijkt duidelijk dat Klein Malpais en Gato twee afzonderlijke plantages waren. Hoyer was goudsmid van beroep en gehuwd met Wilhelmina Raven. Het gezin kreeg zeven kinderen.

Hoyer was een betere goudsmid dan planter. Klein Malpais was dan ook geen vetpot. In de zeer droge jaren 1833 en 1834 was Hoyer gedwongen kalkovens te branden om het benodigde geld bij elkaar te krijgen voor de aankoop van mais voor de slaven en betaling van achterstallige hypotheekrente.

Het jaar daarvoor had hij al de plantage Weltevrede alias Papaya moeten verkopen.

Het hielp allemaal weinig. In 1839 werd de plantage Klein Malpais (inclusief Rustplaats en het stuk gouvernementsgrond waarvan Hoyer ruim 20 jaar eerder het vruchtgebruik had gekregen) publiek verkocht. De Weeskamer leed als hypotheekhouder een fors verlies hierbij: de terreinen brachten slechts 605 gulden op terwijl er nog zo’n 6.400 gulden hypotheekschuld openstond.

De nieuwe eigenaren waren Johanna Elizabeth en Charlotte Hoyer, kinderen van Christoph Hoyer. Ook zijn huis in Otrobanda en al zijn slaven moest hij verkopen om in ieder geval een deel van zijn schulden af te kunnen lossen. Johanna Elisabeth overleed in 1866, ongehuwd. Kort voor haar overlijden had zij in een testament haar broers en zusters tot erfgenaam benoemd.

Zij verkochten voor 1.500 gulden het halve aandeel van Johanna Elisabeth aan Richard Raven Gz., die daarmee het volledig eigendom kreeg over Klein Malpais. Hij was namelijk getrouwd met Charlotte Hoyer.

Net als zijn schoonvader was Richard Raven goudsmid en koopman. Hij woonde in Otrobanda en toonde weinig interesse in de plantage, maar hield zich meer bezig met het opkopen en verbouwen van huizen in Otrobanda. Met zijn zaken in de stad verdiende hij een veelvoud van wat de plantage Klein Malpais opbracht.

Zoals zoveel plantages rond het Schottegat hield hij Klein Malpais meer als een buitenplaats, waar zijn gezin zich in de hete maanden en weekenden kon verpozen.

Tegen het einde van de 19e eeuw was de koopman Richard Joseph Hoyer eigenaar van de plantage Klein Malpais geworden. Hij was een zoon van Godhelp Israel Hoyer; Richard Raven Gz. en zijn echtgenote Charlotte Hoyer waren zijn oom en tante.

In 1895 verkocht het gouvernement aan Richard Joseph Hoyer een stuk domeingrond, groot ruim 2 hectare en gelegen aan de openbare weg naar de westdivisie (Banda’Bou), ten westen van de savaan Segoe, ten noorden van een patrouillepad en ten oosten van Klein Malpais alias Weitje. Hoyer betaalde 51 gulden voor dit stuk grond.

Met deze aankoop kreeg de plantage haar uiteindelijke vorm en oppervlakte van 133 hectare. Verschillende leden van de familie Hoyer hebben in het landhuis gewoond, zoals Christoffel Godlieb Frederik Hoyer en zijn vrouw Theodora Römer, en Marie Hoyer met haar echtgenoot Jacob Anthon Beaujon. De laatste erfgenamen van de plantage waren hun twee zoons Jan Hendrik Richard (Henry) Beaujon en Austin Beaujon met hun nicht Enid Beaujon, gehuwd met Roy Wever.

Het gezin van Henry Beaujon woonde tijdens de Tweede Wereldoorlog in het landhuis en bracht daarna er de weekenden en vakanties door. Lange tijd werd er vee gehouden, de koeien stonden in de stallen en de stier in de koraal ten zuidwesten van het landhuis. Een van de laatste ‘vitó’s’ was ene IJsiek.

Tegen het einde van de landbouwactiviteiten werden in de mangasina zelfs varkens gehouden. Volgens de dochters van Henry Beaujon lagen er op de plantage drie dammen waarachter in de regentijd een heus meer ontstond.

Direct achter de dammen lagen de waterputten. Toen de familie het landhuis zelf niet meer gebruikte, werd het verhuurd om te voorkomen dat het landhuis door leegstand in verval zou raken.

Achtereenvolgende huurders hebben nogal wat veranderingen aangebracht in het landhuis. Zo verdwenen de gele ijsselsteentjes op de vloeren van de voorgalerij en de ‘sala’ onder een laag cement en werd ook de trap naar de zolder ingrijpend veranderd.

De laatste bewoner was de biologieleraar Bart de Boer, die van de pantry in de achtergalerij een tweede badkamer maakte. In 1993 werd de plantage via een juridische (en voor sommige personen lucratieve) omweg eigendom van FKP.

Een groot aantal bezwaarschriften ingediend bij de behandeling van het Eilandelijk Ontwikkelingsplan (EOP) in 1995 hebben ervoor gezorgd dat Wechi een zogenaamde ’witte vlek’ in het EOP is geworden, waardoor de ontwikkeling van de plantage tot woongebied nog steeds niet van de grond is gekomen.

Het landhuis staat er nu triest bij, zeker nu bulldozers het eens zo groene gebied volledig kaal hebben geschoven.

Bron: Antilliaans Dagblad
Dossier: Project Wechi

Door Els Langenfeld

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *