Vier jaar later

Opinie

Opinie

Op 10 oktober 2010 hield het land de Nederlandse Antillen op te bestaan. De eilanden Curaçao en Sint Maarten werden autonome landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Zij kregen de felbegeerde status aparte die Aruba al in 1986 had verworven. Saba, Sint Eustatius (Statia) en Bonaire werden ‘bijzondere’ gemeenten van Nederland. De weg naar deze staatkundige mijlpaal, met al zijn enerverende gebeurtenissen, heb ik beschreven in mijn boek ‘Het einde van de Antillen’. We zijn nu vier jaar verder. Hoe staan we er nu voor?

Het beeld stemt niet tot tevredenheid. Natuurlijk beseften alle betrokkenen dat na de euforie van het feestelijke moment in de nacht van 9 op 10 oktober 2010 wel eens een ontnuchterende werkelijkheid zou kunnen volgen. Maar weinigen konden bevroeden dat de ontwikkelingen zo uit de hand zouden lopen.
Want wat is het beeld nu: met het kabinet Schotte dat op die 10e oktober op Curaçao aantrad, vervloog al spoedig de hoop op een glanzende start van het nieuwe land: kritische politici, professionals en burgers werd de mond gesnoerd en zij werden op een zijspoor gemanoeuvreerd, politieke tegenstellingen werden aangewakkerd. Geluiden dat de onderwereld greep kreeg op de bovenwereld werden steeds overtuigender.
Voorbeelden van corruptie en intimidatie vulden de media. De prille rechtsstaat kwam onder druk te staan. ,,Een schone droom is een nachtmerrie geworden”, sprak op 28 februari 2013 interim-premier Daniel Hodge, die Gerrit Schotte na diens afzetting in 2012 was opgevolgd. Op 5 mei 2013 werd de politicus Helmin Wiels vermoord: de eerste politieke (?) moord op Curaçao. De rust keerde weer, maar van een keer ten goede kan nog niet worden gesproken. Het politieke klimaat is kil en de economie stagneert.

Op Sint Maarten is de situatie al niet rooskleuriger. De lokale politici begonnen met enthousiasme aan de opbouw van hun kleine land, verlost van de knellende band met Curaçao, maar ook daar kwam de integriteit van het bestuur steeds indringender ter discussie. De voorbeelden van – volgens prof. Oostindie (NRC, 2 oktober 2014) -‘endemische corruptie’ zijn kennelijk zo overtuigend, dat de Tweede Kamer bij minister Plasterk (Koninkrijksrelaties) op stevig ingrijpen heeft aangedrongen: het OM ter plekke wordt versterkt met Nederlandse ambtenaren om de vervolging van corrupte politici en ambtenaren aan te pakken.

Dankzij stevige afspraken over begrotingstoezicht zijn de openbare financiën in de nieuwe landen nog op orde, maar op Aruba – waarmee soortgelijke afspraken niet zijn gemaakt – liep het afgelopen zomer uit de hand. Premier Mike Eman van dat eiland ging zelfs in hongerstaking tegen bemoeienis vanuit Den Haag met de dreigende groei van de overheidsschuld en het begrotingstekort.
Ook bij de kleine eilanden, de ‘bijzondere gemeenten’, lijkt teleurstelling over de nieuwe status het publieke debat te bepalen. Wellicht waren ook daar de verwachtingen overspannen. Voor veel bewoners heeft de toegenomen bemoeienis van de Haagse departementen onvoldoende concrete resultaten opgeleverd: ze voelen zich vaak nog tweederangsburgers binnen het Koninkrijk. Er wordt, al dan niet terecht, geklaagd over het gedrag van de ingevlogen Nederlandse ambtenaren en deskundigen.

Toen ik – nu alweer 20 jaar geleden – bij Binnenlandse Zaken binnenkwam, zocht de toenmalige directeur-generaal mij op voor een praatje. ,,Freek, je belangrijkste taak hier is de minister uit de wind te houden”, sprak hij. Ik keek daar van op: ik had een inhoudelijke gedachtewisseling verwacht. Het adagium ‘de minister uit de wind houden’ lijkt wel sterk richtinggevend te zijn voor het Haagse departementale handelen op de kleine eilanden van de voormalige Nederlandse Antillen. Het leidt tot risicomijdend, risico-dekkend gedrag. Maar daar, in die nieuwe en ver van Den Haag gelegen gemeenten is toch vooral bestuurlijk maatwerk nodig en minder het stringent toepassen van op Europees Nederland toegesneden regels.
Nieuwe landen hebben tijd nodig om zich te ontwikkelen, wordt vaak gezegd. Terugval kan een tijdelijk karakter hebben. Het zijn mogelijk slechts groeistuipen die horen bij de ontwikkeling naar volwassenheid. Dat zou kunnen, maar er is door de kleine schaal van de nieuwe landen Curaçao en Sint Maarten en de sociaalgeografische context van het Caribische gebied, wel méér aan de hand. In kleine gemeenschappen liggen protectie, vriendjespolitiek en handjeklap op de loer. Mensen kennen elkaar en ontlenen daar, al dan niet terecht, verwachtingen aan. Politiek en machtsvorming worden sterk door persoonlijke en familiebanden ingekleurd. ‘All politics is local’, zeggen ze in de Verenigde Staten en dat geldt zeker op kleine eilanden. Het algemeen belang krijgt daar al snel persoonlijke kanten. Democratie is meer, moet veel meer zijn dan periodiek te houden verkiezingen. Voor een rechtsstaat zijn betrouwbare en onafhankelijke instituties (en scheiding der machten) wezenlijk. Burgers moeten daarop kunnen rekenen. Die instellingen zijn op Curaçao en Sint Maarten zwak gebleken of kwamen onder vuur te liggen.

Vanuit Den Haag wordt de aandrang nu eens eindelijk in te grijpen steeds groter. De kans dat dat maar tijdelijk soelaas zal bieden, is groot; ook met de inzet – vaak tijdelijk – van Nederlandse deskundigen, los je structurele problemen niet op. Blijvende versterking van de kennisinstituties van de rechtsstaat: justitie, onafhankelijke adviesorganen en inspecties, professioneel ambtelijk apparaat en een goed werkend parlement met een deskundige en toegewijde staf is cruciaal voor een vitale democratie. Daarop moet vooral worden ingezet.
In de kleinschalige politieke context van de eilanden vergt de opbouw daarvan tijd en geduld, maar juist het investeren daarin zal op den duur vruchten afwerpen, meer dan ad hoc tromgeroffel. Daar zullen ook de nieuwe landen zelf van doordrongen moeten zijn en moeten inzetten op versterking van de rechtsstaat, zo nodig met steun vanuit Nederland.

het einde van de antillenFreek van Beetz is auteur van ‘Het einde van de Antillen’ (Eburon, 2013), waarin hij verslag doet van de vele politieke verwikkelingen tussen 2000 en 2010, die hij, als adviseur van verschillende Antilliaanse premiers, van zeer dichtbij meemaakte. Deze opiniebijdrage staat ook op de website eburon.nl. Academische Uitgeverij Eburon verzorgt uitgaven in opdracht van organisaties, promovendi en andere individuele auteurs, en helpt hen bij het beheren en exploiteren van hun eigen werk.

Door Freek van Beetz

Bron: Antilliaans Dagblad

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *